Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Een ernstig gevaar.

Er dreigt ons kerkelijk leven een gevaar, dat niet onderschat mag worden.

In menig opzicht hebben we God dankbaar te zijn voor de uitnemende weldaden, die Hij ons schonk. Indien zelfs de dag der kleine dingen niet veracht mag worden, hoeveel te meer hebben we dan te roemen, waar zoo kostelijke blijken van Gods gunst aan onze Kerken werden geschonken. Wie een eeuw geleden zich terug denkt en het toen met het heden vergelijkt, dankt God, die, trots de ontrouw van ons volk, Zijn verbond gedacht en zulke machtige daden in ons midden heeft gedaan. Toen, juist drie eeuwen na de Dordtsche Synode, de Kerk onder het juk van Koning Willem's staatscreatuur gebracht en na een kort protest een zwijgend berusten in den roof aan Christus' Kerk gepleegd. Toen een Kerk, die in naam nog Gereformeerd, in wezen — Allaart Pierson merkte het terecht °P — puur Remonstrantsch was geworden. Toen hier en daar nog enkele eenzame strijders, een Bilderdijk, een Schotsman een Van der Kemp, die de Gereformeerde banier omhoog hielden, maar gehoond, gesmaad, en verguisd door al wat aanzien had en macht. Toen een kleine schaar van geloovigen, maar die in ziekelijk Lampianisme bevangen, wegschool in eigen tente, in plaats van een zout en licht voor ons volksleven te zijn. Toen geen Gereformeerde theologie, geen Christelijke wetenschap, geen kerkelijke zending, geen zorg voor de ellendigen des volks. Een doode akker, waarover de ijskoude adem van het Rationalisme blies en waarop nauwelijks hier en daar nog een enkel grassprietje teeken van leven bood.

Sluiten