Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ordinantie Gods niet teniet gedaan en bleef ook na den val de gemeenschap des bloeds, de verwantschap der geslachten, de samenhang van mensch en mensch bestaan.

Waar God de Heere den raadslag zijner eeuwige verkiezing uitvoeren wil en zijn uitverkorenen tot zaligheid wil brengen, daar moet met dien organischen samenhang wel gerekend worden. Gods uitverkorenen staan niet los in de menschheid, drijven niet als oliedruppelen op de wateren, zijn geen losse korrelen zands, maar zijn leden van één gezin, zijn met allerlei banden verbonden aan hun geslacht, vormen deel van één familie. En waar de genade de natuur niet verstoort maar geneest, de scheppingsordinantie niet krachteloos maakt maar herstelt, daar kan het niet anders of de genade moet in verbondsvorm zich openbaren. Dat is niet een dwang, God aangedaan. Dat is niet een hinderpaal, een struikelblok, die God op zijn weg ontmoet en die Hij overwinnen moet. Het is niet zoo, dat God Almachtig zich daarbij schikken en plooien moet en aanpassen aan onze menschelijke verhoudingen. Maar het is zoo, dat diezelfde God, die deze scheppingsordinantie aan ons menschelijk geslacht gaf, die mensch aan mensch verbond door gemeenschap des bloeds, in zijn genade deze ordinantie handhaaft en haar nog veel heerlijker schitteren doet dan zonder zonde het geval zou zijn geweest. Het herstelde organisme der menschheid, dat Hij onder Christus als Hoofd door zijn genade tot stand brengt, gaat het oude organisme der menschheid, dat onder Adam gevallen was, in heerlijkheid zeer verre te boven. Daarom zegt de Apostel Paulus, waar hij in Romeinen 5 de parallel trekt tusschen Adam en Christus, dat niet gelijk de misdaad alzoo de genadegift is, want dat de genade Gods en de gave door de genade, die daar is van eenen mensch Jezus Christus, veel meer overvloedig is geweest over velen.

Hoe sterk echter de eenheid tusschen natuur en genade, schepping en herschepping moet gehandhaafd worden, toch is er verschil tusschen beide. Een verschil, dat wel het sterkst uitkomt, wanneer ge let op den band, die ons eens aan Adam verbond en die ons thans aan Christus verbindt.

Genade- en werkverbond hebben daarin hun treffende overeenkomst, dat God beide malen het verbond opricht niet met losse individuen, maar met heel het menschelijk geslacht, zoo

Sluiten