Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaren, waarom De Heraut vroeger afgaande op Appelius, die in de gereformeerde kringen van ons volk als de autoriteit inzake de verbondsleer gold, zeggen kon, dat de regel onzer vaderen was: Doop al wat in het doophuis binnengebracht wordt. Appelius had dit metterdaad geleerd. Wanneer Dr. Kromsigt en de zijnen dit vroegere standpunt van de Heraut als het zuivere, echtgereformeerde thans tegen ons uitspelen, dan is dit psychologisch wel te begrijpen. Wie een voorstander is van de Volkskerk, moet de toelating tot den doop wel zoo ruim mogelijk stellen. Heel het volk moet dan door den doop in de Christelijke Kerk worden opgenomen, om aldus gekerstend en met den Christelijken geest doortrokken te worden. Heeft Christus zelf niet gezegd: «Gaat heen, onderwijst al de volkeren, hen doopende ?*.

Toch behoeft er waarlijk zulk een diepe studie van onze Gereformeerde belijdenisschriften, Synodale beslissingen en uitnemendste theologen niet gemaakt te worden om te weten, dat dit standpunt van Appelius door onze Gereformeerde Kerk niet alleen niet gedeeld, maar uitdrukkelijk veroordeeld is. Reeds ons Doopformulier wijst dit uit. Want al is het opschrift: Formulier om den Heiligen Doop aan de kinderen der geloovigen te bedienen, eerst van lateren tijd, de tweede doopvraag, waarin zeer beslist van de ouders gevraagd wordt «of zij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen des Christelijken geloofs begrepen is, en in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt, niet bekennen de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen," toont toch, dat dit opschrift, wat den zin en de bedoeling aangaat, volkomen juist is. Niet alle kinderen zonder onderscheid, maar alleen de kinderen der geloovigen hebben recht op den doop. In onze Geloofsbelijdenis, art. XXXIV, wordt daarom telkens gesproken van «den doop der kinderkens der geloovigen-*, dien de wederdoopers verwerpen, maar dien de Gereformeerde Kerken handhaven, omdat «Christus zijn bloed vergoten heeft om de kinderkens der geloovigen te wasschen". Daarom behooren zij — d. z. de kinderkens der geloovigen — het teeken te ontvangen en het Sacrament van hetgeen dat Christus voor hen gedaan heeft." En dat onze Catechismus er niet anders over denkt, blijkt uit het antwoord op vraag 74, waar staat dat de kinderen »door den doop, als

Sluiten