Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

De eenheid tusschen Genadeverbond en uitverkiezing.

Na ons intermezzo met Dr. Kromsigt, komen we thans op het Genadeverbond zelf terug.

Gelijk men zich herinneren zal, school de moeielijkheid voor ons denken hierin, dat de uitverkiezing individueel is, op bepaalde personen ziet, terwijl het Genadeverbond organisch is en de geslachten omvat. Terwijl in de tweede plaats in dat Genadeverbond weer twee lijnen elkaar kruisen; eenerzijds de geestelijke band met Christus, die door de wedergeboorte ontstaat, en anderzijds de belofte Gods, dat Hij onze God en de God van ons zaad wil zijn.

Voorzoover het ons geoorloofd is hier een poging te wagen, om wat schijnbaar voor ons uiteenvalt en zelfs tegenstrijdig is, toch in hooger eenheid op te lossen, zij op tweeërlei gewezen, dat metterdaad niet weinig er toe bijdraagt om een dieperen blik ons te gunnen in het wezen van het Genadeverbond.

Vooreerst, dat in de uitverkiezing God de Heere wel bepaalde personen uitverkiest, maar toch reeds in deze uitverkiezing zelve ze saamvoegt en verbindt tot het mystieke lichaam van Christus. De Schrift leert ons dat, waar ze zegt, dat we uitverkoren zijn «vóór de grondlegging der wereld in Christus».

Want wel wil dit niet zeggen, gelijk de Lutherschen en Remonstranten leeren, dat Christus de grond en oorzaak is onzer uitverkiezing, alsof Hij die uitverkiezing voor ons verdiend zou hebben. Daartegenover dient met onze vaderen steeds volgehouden te worden, dat de grond en oorzaak onzer uitverkiezing alleen en uitsluitend ligt in het welbehagen Gods. De Synode te Dordt heeft deze uitdrukking dan ook met opzet

Sluiten