is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genadeverbond. Volgens hen stort God aan alle kinderen die gedoopt worden, de genade in. Aanvankelijk staan deze kinderen dus werkelijk in het genadeverbond. Ze hebben er wezenlijk deel aan. De grootste weldaad van dat verbond is hun geschonken. Ze zijn wedergeboren tot een nieuw leven. Alleen maar door er aan toe te voegen dat deze genade door eigen schuld, door ongeloof of doodzonde weer kan te loor gaan, wordt de kracht van het genadeverbond gebroken. Het schenkt niet de zaligheid, maar alleen de mogelijkheid tot zaligheid. De genade, die de doop aan allen meedeelt, is een verliesbaar goed.

Het diepere inzicht, dat Calvijn aan de Schrift en Augustinus te danken had, verbood hem tot deze opvatting van het genadeverbond de toevlucht te nemen. Een genadeverbond, dat niet vastligt in de uitverkiezing Gods, maar afhangt van onzen menschelijken wil, baat ons niet. Een genade, die alleen de mogelijkheid der redding, maar niet de redding zelve schenkt, troost onze zielen niet. Want indien zelfs Adam in den staat der rechtheid te zwak bleek, om in het eerste verbond te blijven staan, hoe zouden dan wij, wier natuur door de zonde zoo diep bedorven is, in staat zijn het tweede verbond te bewaren ? Een Genadeverbond, dat in wat vorm of gestalte ook, afhankelijk wordt gemaakt van onzen menschelijken wil, rooft ons alle zekerheid onzer zaligheid. Niet alleen de uitverkiezing, maar ook de genadegifte Gods, zegt de Apostel, is onberouwelijk. Het eerste verbond kon door onze schuld verbroken worden, maar het tweede staat onwankelbaar vast door de trouwe Gods. Want van dat verbond geldt, dat ons ongeloof het geloof Gods, of wil men liever dat onze ontrouw de trouwe Gods niet te niet kan doen.

Op dien zelfden grond moet dan ook zoo beslist mogelijk weerstaan en bestreden worden de voorstelling van een voorwaardelijke genadeverbond, die 't eerst door de Remonstranten geleerd werd en later ook in onze Gereformeerde kerken allengs binnendrong. Appelius had in zijn verzet daartegen volkomen gelijk. Want dit gevoelen voert ons niet alleen tot Rome terug, maar zinkt nog dieper dan Rome in het pelagianisme weg. Rome erkent toch nog altoos, dat God begint met in den doop de genade uit te storten in onze ziel en nu op grond van die ontvangene genade van den mensch eischt, dat hij deze genade