is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst aan Calvijn en de Gereformeerden is het te danken, dat het verband tusschen het Genadeverbond en den doop weer klaar en helder is ingezien. Van een magische werking van den doop, gelijk Rome en Luther die leerden, wilde Calvijn niets weten. Doop en Avondmaal waren hem teekenen en zegelen door God ingesteld voor de geloovigen, om hun de beloften des Evangelies te verzekeren. Alleen de geloovigen hadden daarom recht op de Sacramenten; alleen voor hen was het Sacrament ingesteld. En waar Calvijn in zijn strijd met de wederdoopers nu toch het goed recht van den kinderdoop moest handhaven en zij hem voor de voeten wierpen, dat een pasgeboren kindeke toch niet gelooven kan, greep Calvijn weer naar de ordinantie van het Genadeverbond, dat God dit verbond had opgericht met de geloovigen en hun zaad. In den Catechismus van Genève wordt op de vraag, waarom de kleine kinderen gedoopt moeten worden, geantwoord: „Opdat het hun tot een getuigenis zij, dat zij erfgenamen zijn van den zegen dien God beloofd heeft aan het zaad der geloovigen." Dit is de grondgedachte, die in alle Gereformeerde belijdenissen terugkeert. „Wij veroordeelen de Anabapisten, zegt de tweede Zwitsersche Geloofsbelijdenis, die ontkennen dat de pasgeboren kinderen der geloovigen moeten gedoopt worden. Want volgens de leer van het Evangelie is hunner het Koninkrijk der hemelen en zijn ze in het verbond Gods; hoe zou hun dan het teeken des Verbondsniet gegeven worden?" — „Wij oordeelen, zoo getuigen de Schotsche Kerken, dat de doop niet minder toekomt aan de kinderen der geloovigen, dan aan hen, die het gebruik van hun verstand en oordeel hebben". — „Aangezien God, zoo belijden de Fransche Kerken, in zijn Kerk de kleine kinderen met hun vaders opneemt, zoo zeggen wij, dat op het gezag van Jezus Christus de kleine kinderen geboren uit geloovigen moeten gedoopt worden." En onze Gereformeerde Kerken in Nederland sluiten zich hierbij volkomen aan, wanneer ze in haar Geloofsbelijdenis Art. XXIV zeggen: „Hier om verwerpen wij de dwaling der Wederdoopers, die den doop der kinderen der geloovigen verdoemen, dewelke wij gelooven dat men behoort te doopen en met het teeken des verbonds te verzegelen." Van een volksverbond, op grond waarvan alle kinderen uit dat volk geboren gedoopt zouden moeten worden, is in niet één Gereformeerde belijdenis sprake.