Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonderingen, en de uitzondering werpt den regel niet omver, maar bevestigt dien. Volgens Dr. Kromsigt en de zijnen zou de regel zijn: doop alles; volgens de Kerk van Genève is de «ordinaire regel», dat men alleen doopt de kinderen, wier ouders geloovigen zijn. Een kerk die zich aan dezen regel houdt, volgt den besten en zekersten weg en onze kerken behoeven zich waarlijk niet te schamen, dat zij dit veilige pad weer bewandelen.

Na het advies van de Kerk van Genève beluisterd te hebben, komen we thans tot het gevoelen van Calvijn zelf.

Hoofdbron voor wie Calvijn's gevoelen kennen wil, blijft natuurlijk de Institutie. In dat meesterwerk, dat Calvijn tot het einde zijns levens heeft herzien, omgewerkt en verrijkt, wordt zijn dogmatische gedachte het helderst en het scherpst uitgedrukt. In het IVe boek, het i6e hoofdstuk handelt Calvijn daar uitvoerig over den kinderdoop en bestrijdt hij het gevoelen der Wederdoopers en van Servet, die den kinderdoop verwierpen. Het hoofdargument voor den kinderdoop, waarop Calvijn telkens weer terugkomt, is dat het Genadeverbond door God is opgericht met Abraham en zijn zaad en daarom onder de NieuwTestamentische bedeeling, die nog rijker in genade is dan de Oud-Testamentische, de kinderen van het Genadeverbond en van het teeken des verbonds niet buitengesloten mogen worden.

Calvijn denkt er echter niet aan om deze zegening tot alle kinderen zonder onderscheid uit te breiden; telkens herhaalt hij weer, dat de belofte alleen gegeven is aan de kinderen uit geloovige ouders geboren, omdat deze alleen in het verbond der genade begrepen zijn. Zoo zegt hij in § 6: «Daarom, gelijk de kinderen der Joden een heilig zaad genaamd werden, omdat ze, erfgenamen van dit verbond geworden zijnde, van de kinderen der goddeloozen onderscheiden werden, alzoo worden om diezelfde reden de kinderen der Christenen heilig geacht, al zijn ze van zulke ouders geboren, van welke éen alleen geloovig is, en door het getuigenis van den Apostel worden ze onderscheiden van het zaad der afgodendienaars, dat onrein is.» Calvijn handhaaft hier dus uitdrukkelijk, dat alleen de kinderen uit geloovige ouders voor heilig zijn te achten , de kinderen van niet geloovige ouders of afgodendienaars staan niet in het genadeverbond, ze zijn onrein.

Sluiten