Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het teeken des verbonds, de doop, komt daarom alleen aan de kinderen der geloovigen toe, § 24: «Indien de kinderen der geloovigen aan het Verbond deel hebben, zoo heeft men geen reden om hen van het teeken des verbonds af te houden. Maar die ongeloovig is en van ongeloovige ouders afkomstig, die wordt van de gemeenschap des verbonds vreemd geacht. En daarom is het geen wonder, dat men den zoodanige het teeken niet geeft, welks beteekenis in hem ij del en bedriegelijk wezen zou.-*

Niet minder beslist laat Calvijn zich uit in zijn commentaar op 1 Cor. 7 : 14: «De Apostel leert ons hier,» zegt hij, «dat de kinderen der geloovigen van andere kinderen onderscheiden worden door een zekeren voorrang, opdat ze voor heilig in de kerk zouden gerekend worden.» Wel zijn alle kinderen, hetzij ze uit geloovige of uit ongeloovige ouders geboren zijn, van nature kinderen des toorns en worden ze in ongerechtigheid geboren. Maar al is hun toestand in zooverre gelijk «de kinderen der geloovigen hebben een bijzonder privilegie, dat voortvloeit uit de weldaad des verbonds, door welks tusschenkomst de vloek, die van nature op hen ligt, wordt uitgedelgd.» Daarom komt alleen aan de kinderen der geloovigen de doop toe: «Indien de kinderen der geloovigen worden uitgezonderd en bevrijd van het gemeene lot van het menschelijk geslacht, opdat ze Gode worden afgezonderd, waarom zullen we hen dan van het teeken des verbonds afhouden ?"

Nog scherper komt dit eigenaardige standpunt van Calvijn uit in zijn polemiek met de Lutherschen. Met de Wederdoopers liep de strijd over het goed recht van den kinderdoop zelf, maar met de Lutherschen over de vraag, welke kinderen mochten gedoopt worden. De Lutherschen wilden, dat alle kinderen zonder onderscheid zouden gedoopt worden, en ze veroordeelden daarom Calvijn, omdat hij leerde dat alleen de kinderen der geloovigen heilig waren en dat de doop ontheiligd werd, wanneer deze bediend werd aan kinderen van niet geloovige ouders. Een onbekend Luthersch theoloog had Calvijn daarover aangevallen naar aanleiding van Calvijn's critiek op het Interim. Calvijn heeft daarop in een Appendix of aanhangsel bij deze critiek op het Interim zich tegen dien aanval verdedigd. «Welke dwaling,» zegt hij, «legt men mij ten laste? Dat ik zeg, dat de

Sluiten