is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan John Knox, den bekenden hervormer van Schotland gaf. John Knox had aan Calvijn 28 Aug. 1559 de vraag gedaan: «of men tot den doop mocht toelaten onechte kinderen, kinderen van afgodendienaars (waarmede roomschen bedoeld zijn) en kinderen van geëxcommuniceerden, voordat de ouders zich bekeerd hadden en aan de Kerk zich hadden onderworpen?» Calvijn antwoordde daarop, wederom mede uit naam zijner ambtgenooten, 8 November 1559, dat Knox deze vraag wel terecht gedaan had, daar men er vooral op letten moest, dat het sacrament niet ontheiligd werd, wat zeker geschieden zou, indien de doop zonder onderscheid aan vreemden werd toegestaan of ontvangen werd zonder geschikte doopgetuigen, die lid der kerk waren. Maar aan de andere zijde, zoo merkt Calvijn op, mag men bij de bediening van den doop niet vergeten, dat in de eerste plaats moet gevraagd worden, wie God door zijn Woord tot den doop roept. «De belofte Gods nu omvat niet alleen de nakomelingschap van ieder geloovige in het eerste geslacht, maar strekt zich uit over duizend geslachten.» Al was in het pausdom de ware godsvrucht een tijd lang te loor gegaan, dit nam de kracht en werkzaamheid van den doop niet weg. De nakomelingschap, uit heilige en vrome voorouders gesproten, behoorde daarom tot de gemeenschap der kerk, al waren de grootouders en ouders afvallig geworden. Wel keurt Calvijn het misbruik der Roomsche kerk af, die kinderen van Turken en Joden roept om te doopen, maar, zoo gaat hij voort, «overal waar de belijdenis van het Christendom nog niet geheel is ondergegaan of uitgebluscht, daar worden de kinderen van hun recht beroofd, wanneer ze van den doop worden geweerd. Het zou toch onbillijk zijn, aangezien God voor driehonderd jaren of meer hen verwaardigde met zijne aanneming, dat de goddeloosheid der ouders, die daarna gevolgd is, den loop der hemelsche genade zou afbreken.» Alleen moet in zulk een geval gecischt worden, dat er Gereformeerde doopgetuigen optreden, (t. XVII p. 662).

Het verschil tusschen deze beide adviezen springt in het oog. Zelfs kan men tot verklaring van dit verschil niet zeggen, dat Calvijn na 1553 tot een ander inzicht is gekomen en daarom in 1559 zoo aan Knox schreef; want reeds in 1550 had Calvijn hetzelfde gevoelen uitgesproken in het reeds genoemd Aanhangsel