is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Knox er zich op beroepen kon, dat het Genadeverbond niet één geslacht omvat, maar zich uitstrekt over duizend geslachten, en daarom zeggen kon, dat al waren de vader en moeder geen < heiligen », men dan terug moest gaan tot een vroeger geslacht. Natuurlijk heeft Calvijn dit niet bedoeld in dien zin, alsof trots openlijk ongeloof en geheelen afval van God, bij de ouders het Genadeverbond toch bleef doorgaan. Calvijn maakte er uitdrukkelijk de beperking bij: «wanneer het Christendom niet geheel was te loor gegaan of uitgebluscht». En ook de Kerk van Genève waakte tegen misbruik van dezen regel door te schrijven, dat men «daarom nog niet overhoop allerlei kinderen, die men ten doop aanbiedt, ontvangen mag, onder het deksel dat de voorouders daarvan van over duizend jaar geleden Christenen geweest zijn». De bedoeling was alleen, gelijk dit zelfde advies het zoo duidelijk zegt, dat «wanneer God zijn vervallen Kerk in een land wilde oprichten, dat men dan, al waren vele lieden nog niet zoo haastig gereformeerd, hun kinderen (die aan de Kerk toekomen) daarom van den doop niet moest buitensluiten».

Hieruit volgt, dat in die landen, zooals Schotland, waar de rejormatie pas ter hand genomen werd, de kinderen van roomsche ouders konden gedoopt worden. Men had daar een overgangstoestand. De reformatie was voor heel de Kerk bedoeld; men mocht daarom niet beginnen met buiten te sluiten, wat zichzelf niet buitensloot.

Tegenover allen, die niet beslist vijandig tegenover dereformatie stonden, moest toegevendheid gebruikt worden. Uit het feit nu, dat zulke ouders voor hun kinderen den doop in de Gereformeerde Kerk begeerden, bleek, dat ze niet geheel afkeerig waren van de Gereformeerde religie. Al mochten ze uit menschenvrees of uit gewoonte zelf nog bij de Roomsche Kerk blijven, ze begeerden dan toch voor hun kinderen een opvoeding in de zuivere religie. En wanneer zulke ouders aan bekwame doopgetuigen, die wèl lid waren van de Gereformeerde Kerk, de macht gaven om hun kinderen in de Gereformeerde religie op te voeden, dan oordeelde Calvijn, dat onder die omstandigheid de doop ook aan zulke kinderen mocht bediend worden. Aan den eisch van bekwame en geautoriseerde doopgetuigen hield Calvijn echter onverbiddelijk vast. Dat was de conditio sine

9