Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Heere: Mijn Geest, die op hen is en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe». Ook in Ps. 103:17 wordt verzekerd, dat «de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen, en Zijne gerechtigheid aan kindskinderen.» En in Ps. 105: 8 wordt zelfs uitdrukkelijk gesproken van het duizendste geslacht: «Hij gedenkt zijns verbonds tot in der eeuwigheid des Woords dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten».

Deze zeer stellige uitspraken der Schrift geven zeer zeker een vingerwijzing, dat men de lijn des verbonds niet te spoedig als afgebroken mag beschouwen. De trouw en de barmhartigheid van den Heere onzen God zijn zoo groot, dat Hij zelfs bij tijdelijke afdwaling zijns verbonds nog gedenkt. Al was het geslacht van Jerobeam vervloekt, omdat Jerobeam den kalverdienst in Israël had ingevoerd, toch verklaarde de profeet, dat in het kind van Jerobeam, dat vroeg stierf «wat goeds voor den Heere, den God Israëls, gevonden werd» (I Kon. 14: 13). Telkens ziet men dan ook in de geschiedenis van Israël, hoe de gouden lijn der genade door alle menschelijke zonde heen weer doorschittert en uit geheel afgedoolde geslachten toch kinderen geboren worden, die bij het opgroeien mannen naar Gods hart blijken te zijn. Paulus vindt daarin zelfs grond, om aan de toekomst van Israël niet te wanhopen. De Joden mogen om hun verwerpen van den Messias een tijdlang zelf verworpen zijn, toch blijft er voor hen een belofte over; eens zal «geheel Israël zalig worden.»

In die duidelijke uitspraken der Schrift ligt dus wel degelijk een grond om de grenzen van het Genadeverbond niet te eng te trekken. Zelfs in die Kerken, zooals de roomsche en de grieksche, waar zooveel bederf insloop, werkt het Genadeverbond nog na. Indien het Genadeverbond daar geheel was afgebroken, zou er noch voor den roomschen noch voor den griekschen christen mogelijkheid van zaligheid wezen. God, die in deze verbasterde Kerken nog het sacrament van den doop staande heeft gehouden, heeft daarmede zelf ons getoond gelijk Beza terecht opmerkt, dat Hij deze Kerken nog niet geheel verlaten heeft.

Sluiten