is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgelegd. Daar werd dus wel degelijk de wacht gehouden, dat het heilige niet ontheiligd werd. Maar bij den Doop was men minder streng. Dan redeneerde men: de kinderen, die in het Genadeverbond geboren zijn, mogen van den doop niet verstoken blijven. Bij gevolg heeft de Gereformeerde Kerk al deze kinderen te doopen, ook al behooren de ouders niet tot de Gereformeerde Kerk.

Toch hebben onze vaderen dezen regel nooit consequent, durven doorvoeren. Ook waar ze den doop van deze kinderen toestonden, deden ze het nooit dan onder een voorwaarde. Er moesten dan bij den doop getuigen optreden, die er voorinstonden, dat zulk een kind in de Gereformeerde leer zou worden opgevoed. Ontbrak die waarborg, dan mocht de doop niet worden bediend, gelijk Calvijn uitdrukkelijk aan Knox schreef en ook de Kerk van Genève later in haar advies herhaalde. Het feit zelf dat zulk een kind beschouwd werd als in het Genadeverbond geboren te zijn, was zonder meer dus niet voldoende om het in onze kerk te laten doopen. Er moest zekerheid worden gegeven, dat het straks als lidmaat der Gerformeerde Kerk zou opgroeien. Dat was de conditio sine qua non, waaraan onze vaderen steeds hebben vastgehouden.

Tot op zekere hoogte kan men dus wel zeggen, dat onze vaderen ook bij den doop gevoeld hebben, dat de heiligheid van het Genadeverbond moest gehandhaafd worden. Maar in de practijk heeft dit hulpmiddel toch zeer weinig geholpen. Calvijn zelf heeft dit wel gevoeld, toen hij aan Knox schreef, dat dit laten vervangen van de natuurlijke ouders door doopgetuigen alleen voor een tijd mocht gedoogd worden, maar dat in een welgeordende Kerk de vaders zelf als doopgetuigen moesten optreden. In de practijk heeft dit getuigenstelsel dan ook meer kwaad dan goed gesticht. Wat als tijdelijke uitzondering bedoeld was, werd allengs blijvende regel. In Protestantsche landen, waar de Overheid den Roomschen eeredienst verbood en de Roomsche ouders toch hun kinderen niet ongedoopt wilden laten, kwam het telkens voor dat Roomsche ouders hun kinderen bij Gereformeerde predikanten lieten doopen, zonder dat er eenige waarborg was, dat deze kinderen niet Roomsch zouden worden opgevoed. En zoo zonk de Gereformeerde Kerk allengs in, dat toen in de 18e eeuw de predikant D. Frantzius zich bezwaard voelde om zulke kinderen te doopen en