Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, maar die evenmin zich zeiven voor bekeerd houden. De historisch-geloovigen. En daarnaast de leden met een exponent, de buitengewone leden der Kerk, de leden aan wier ziel werkelijke genade door God bewezen is.

Nu spreekt het wel vanzelf, dat we geen oogenblik zullen ontkennen, dat de werkelijke toestand in de Kerk aldus zijn kan en ook is. Aangezien de Kerk niet over het inwendige oordeelen kan of mag, moet de Kerk wel afgaan op de uitwendige belijdenis en den uitwendigen wandel. Of de Kerk hierbij niet meer dan dusver vaak geschiedt, er acht op heeft te geven, dat niemand tot het Sacrament wordt toegelaten, bij wien niet eenige teekenen van een veranderd leven te bespeuren zijn, laten we hier rusten. Onze vaderen te Dordt hebben wel degelijk er op aangedrongen, dat de predikanten niet maar ieder, die dit zelf verlangde, op de zoogenaamde belijdeniscatechisatie zouden toelaten, maar „deze voorzichtigheid zouden gebruiken, dat ze zoodanigen tot zich riepen om onderwezen te worden, van dewelke zij zien, dat zij op eenige merkelijke hope van vrucht van zich geven en die zij weten, dat met de zaligheid hunner zielen bekommerd zijn." Maar al mag deze vermaning wel ernstig ter harte worden genomen om geen mondbelijdenis in de hand te werken, ten slotte kan de Kerk alleen op het uitwendige afgaan. Wat in het hart des menschen omgaat, weet de mensch zelf alleen.

Daaruit volgt, dat er in de Kerk historisch geloovigen en oprecht geloovigen zullen gevonden worden en men dus metterdaad tusschen die beide onderscheid maken moet. Alleen, die onderscheiding mag nooit er toe leiden, dat de historischgeloovigen een wettige positie in de Kerk krijgen. Daarom wraakten we de onderscheiding van uitwendige en inwendige bondgenooten. Onze Belijdenis kent in de Kerk slechts goede leden in den zin van ware geloovigen en hypocrieten of huichelaars. Men spreke daarom liever niet van uitwendige en inwendige bondgenooten, maar met onze belijdenis van ware en valsche bondgenooten. Daardoor eerst wordt het duidelijk, dat de positie van zulk een historisch geloovige in het Genadeverbond niet een wettige en geordende, maar een scheeve, een innerlijk onware, een valsche is. Hij treedt op als bondgenoot; hij matigt

• i i i i < i i. i a a. 1

Sluiten