is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bode in huis neemt, begint met te onderstellen, dat zij trouw en eerlijk is. Wie bij een winkelier waren koopt, begint met te onderstellen, dat de man eerlijk u bedienen zal. Wie een bankbiljet aanneemt, onderstelt dat dat biljet echt is. De rechter, die een getuigenis onder eede afneemt, begint met te onderstellen, dat het getuigenis waarachtig is. Toch is niet elke dienstbode eerlijk, verkoopt niet elke winkelier goede waar, is niet elk bankbiljet echt, legt niet elke getuige een waarachtig getuigenis af. Ook in ons maatschappelijk leven berust dus alles op de onderstelling van trouw, eerlijkheid, waarheidsliefde van onzen medemensch, en deze onderstelling wordt zoolang gehandhaafd, totdat het tegendeel blijkt. Gesteld nu, dat iemand tot u kwam en zei: Gods Woord zegt, dat alle menschen leugenachtig zijn: bijgevolg zijt ook gij een leugenaar, en daarom geloof ik uw woord niet, — dan zoudt ge terecht tegen zulk een misbruik van Gods Woord protesteeren en opmerken, dat ditzelfde Woord ook gebiedt, niet lichtvaardig over uw medemensch te oordeelen. Eerst dan wanneer blijkt, dat uw dienstbode oneerlijk is, dat uw winkelier u bedriegt, dat uw bankier u nagemaakt geld in handen stopt, dat uw getuige een valsch getuigenis geeft, houdt de onderstelling van goede trouw op, omdat de ervaring u getoond heeft, dat deze onderstelling in dit bepaalde geval onjuist was.

Hetzelfde nu geldt ook in de kerk des Heeren. De kerk begint met wie als geloovige zich aandient, in goed vertrouwen op zijn woord als geloovige te erkennen. En wat de kinderen dezer geloovigen betreft, gaat de kerk van de onderstelling uit, dat zij waarlijk kinderen des verbonds en dus in Christus geheiligd zijn. De kerk doet dat niet lichtvaardig. Ze neemt dit niet aan van alle kinderen zonder onderscheid, maar alleen van de kinderen uit geloovige ouders geboren. Ze houdt zich daarbij aan het geopenbaarde Woord Gods, waarin God zegt dat Hij de God dezer kinderen is. Ze eischt bovendien, vóórdat ze deze kinderen als kinderen des verbonds erkent en doopt, dat er waarborgen gegeven worden, dat zulk een kind een recht Christelijke opvoeding zal genieten. En ze handhaaft deze onderstelling slechts zoolang als dit kind zelf niet door openlijken afval toont, geen echt kind des verbonds te zijn. Zoodra de onderstelling met de