Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de bekommerde zielen daardoor veeleer afgeschrikt en verslagen, dan bemoedigd en vertroost worden. Maar dit misbruik komt niet ten laste der Gereformeerde kerk, die in haar belijdenis juist waarschuwt, dat deze leer «met den geest des onderscheids en met godvruchtige eerbiedigheid, heiliglijk, zonder nieuwsgierige onderzoeking van de wegen des Allerhoogsten, ter eere van Gods heiligen Naam en tot een levendigen troost van zijn volk moet worden voorgesteld." En zoo is het ook met de leer des Verbonds. Wanneer die leer naar Gods Woord gepredikt wordt, dan geeft ze tot valsche gerustheid geen de minste aanleiding. Integendeel. Wanneer de kerk zegt: op grond van het verbond Gods, waarin ge geboren zijt, heb ik u te houden voor een kind Gods, dan geschiedt dat niet om u te zeggen, dat al gelooft ge niet, en al komt ge niet tot bekeering, ge toch een erfgenaam van het rijk Gods zijt, maar juist omgekeerd, om u te vermanen, dat uit uw geloof en bekeering blijken moet, dat ge waarlijk zijt, wat de kerk naar het oordeel der liefde van u hoopt. Hoe hooger en heerlijker de eeretitel is, dien de kerk u schenkt, hoe ernstiger en grooter uw verantwoordelijkheid is, of ge metterdaad aan dien eeretitel beantwoordt. De verbondsbeschouwing, wel verre van den eisch tot zelfbeproeving uit te sluiten, verscherpt dien eisch juist. Tot een heiden kunt ge niet zeggen: Beproef u zeiven of gij in het geloof zijt. Tot een die midden in de wereld leeft en van God en Zijn Woord afkeerig is, kunt ge niet zeggen: onderzoek u zeiven, of ge wel waarlijk deel hebt aan de genade. Maar tot een, die tot de gemeente van Christus behoort, en daarom gerekend wordt een geloovige te zijn, moet de vraag wel voor de conscientie gelegd worden: Zijt ge wat ge heet? Is uw geloof een waarachtig geloof ?

12

Sluiten