is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijt». (II Kor. 13 : 5) En inzonderheid dringt hij op dit zelfonderzoek aan bij het Avondmaal, waar hij in den eersten brief aan dezelfde gemeente schrijft: «Maar de mensch beproeve zich zeiven en ete alzoo van het brood en drinke van den drinkbeker, want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zich zeiven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren». (I Kor. 11 : 28 en 29) Een vermaning, die reeds de profeten onder Israël hadden laten hooren, waar ze spraken: «Doorzoek u zei ven nauw, ja doorzoek u nauw, gij volk dat met geenen lust bevangen wordt!» (Zef. 2:1.)

En niet alleen dat zoo de algemeene vermaning uitgaat tot dat zelfonderzoek, «of men in het geloof is», maar de Apostelen komen er telkens op terug, waar ze de heerlijke voorrechten der gemeente beschrijven. «Die in het vleesch zijn,» schrijft de Apostel Paulus aan de Romeinen, «kunnen Gode niet behagen. Doch gijlieden — die tot de gemeente van Christus behoort — zijt niet in het vleesch, maar in den geest, — dat is de eeretitel, dien de Apostel hun geeft — zoo anders de geest Gods in u woont; maar zoo iemand den geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe» — dat is de vermaning tot zelfonderzoek (Rom. 8 : 9). En evenzoo in den brief aan de Hebreen: «Wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij anders het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden* (Hebr. 3 : 4). Dit zoo anders, of zooals wij zouden zeggen: zoo althans waar is wat ge heet te zijn, komt telkens in de brieven der Apostelen terug. In Rom. 8 : 17: «En indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; zoo wij anders met hem lijden, opdat wij met Hem verheerlijkt worden». En in I Petrus 2 : 2, 3: «En als nieuwgeborene kinderkens zijt zeer begeerig naar de redelijke, onvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen, indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is».

Zoo ziet men hoe de verbondsbeschouwing der gemeente eenerzijds wordt gehandhaafd. De Apostelen gaan uit van de gedachte, dat de gemeente uit nieuwgeboren kinderkens, uit geloovigen, uit geestelijke menschen bestaat. Dat is hun onderstelling. Maar waar ze niet schromen dit zoo beslist mogelijk uit te spreken, wordt er telkens aan toegevoegd: gij zelf, o