is toegevoegd aan uw favorieten.

Hamabdil

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle man van Israël, uwe kinderkens, uwe vrouwen en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, om over te gaan in het verbond des Heeren uws Gods, hetwelk de Heere uw God heden met u maakt, opdat Hij u heden zich zeiven tot een volk bevestige en Hij u tot een God zij, gelijk als Hij tot u gesproken heeft». (Deut. 29 : 10—13). Maar daarnaast wordt de eisch des verbonds even beslist gehandhaafd: «Besnijdt dan de voorhuid uws harten en verhardt uwen nek niet meer». (Deut. 10 : 16). Het verbond brengt niet alleen een zegen maar ook een vloek mee, en «als het geschiedt dat iemand de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zich zei ven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken wandelen zal om den dronkene te doen tot den dorstige, dan zal de Heere Hem niet willen vergeven, maar de toorn en de ijver des Heeren zal rooken over dien zeiven man en ook de vloek, die in het boek geschreven is, zal op hem liggen*. Deut. 29 : 19, 20). Daarom kon Mozes eindigen met te zeggen: «Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede en den dood en het kwade». (Deut. 30: 15).

Die zelfde waarschuwing vormt telkens den grondtoon in de redevoeringen der profeten tot Israël. Zoodra het volk, vertrouwend op de verbondsbetrekking, waarin Israël tot God stond, meende dat over Israël het oordeel niet komen zou, en bij zichzelven sprak: Des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren Tempel zijn deze,» (Jer. 7 : 4) dan ging de ernstige waarschuwing der profeten uit; «Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Mooren, o kinderen Israëls, spreekt de Heere. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland en de Philistijnen uit Kaphtor en de Syriërs uit Kir?» (Amos 9:7) Het zijn de valsche profeten, die zongen, «vrede, vrede en geen gevaar;» die naar het teekenachtig woord van Ezechiël «kussens naaien voor alle okselen der armen en hoofddeksels maken voor het hoofd van alle statuur, om daarmee de zielen te jagen naar de bloemhoven, en die God ontheiligen bij zijn volk voor handvollen van gerst en voor stukken van brood, om zielen te dooden, die niet zouden sterven en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door hun liegen tot mijn volk, dat de leugen hoort.» (Ezech. 13 : 18, 19). Terwijl het juist omgekeerd het kenmerk van den waren profeet is, dat hij «het kostelijke van het snoode uittrekt»