is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijne gedachten en gezindheden, van zijne woorden en daden dan ook verstaan wordt, dat wij hem kunnen doorzien en berekenen als een mathematisch vraagstuk, dan is eene poging daartoe reeds van te voren met onvruchtbaarheid geslagen. Hoogstens kunnen wij het zoover brengen, dat wij de gezindheden en gedragingen van een bijzonder mensch, in weerwil van zijne eigenaardigheid, terugleiden tot den regel van het algemeen-menschelijke en tot het inzicht komen : ook aan dezen mensch was niets menschelijks vreemd.

Zóó zonderling was nu Bilderdijk niet, dat wij een beroep zouden moeten en mogen doen op een erfelijk zenuwlijden, dat hem in vele zijner woorden en daden ontoerekenbaar maakte 1). Want in weerwil van al zijne rampen en ontberingen had Bilderdijk een sterk, taai gestel; hij bereikte den leeftijd van 75 jaren; zijne werkkracht was in 1827 nog verwonderlijk groot en flikkerde in 1829 nog eenmaal op 2); omgang en correspondentie met vrienden hield hij tot in het laatste jaar zijns levens aan; en de menigvuldige beschrijvingen, die hij van zichzelven geeft, stellen duidelijk in het licht, dat hij heel goed wist, wie hij was en wat hij deed. Bovendien, voor een genie gelden geen andere wetten van zedelijkheid en recht, dan voor elk ander mensch. En als zulk een begenadigd kunstenaar optreedt als een getuige en verdediger der waarheid Gods, dan is de eisch niet onbillijk, dat de heiligende kracht dier waarheid ook in zijn eigen leven, denken en werken worde aanschouwd. Indien Bilderdijk de apostolische vermaning beter behartigd had, om in den strijd tegen de zonde ten bloede toe tegen te staan, zou zijn woord krachtiger, zijn invloed grooter zijn geweest en zijne persoonlijkheid een edeler indruk hebben gemaakt.

Toch past het den beoordeelaar niet, om tegenover Bilderdijk eene houding aan te nemen, alsof hij in dezen mensch met een buitengewoon slecht exemplaar van ons geslacht te doen zou hebben. Menschen, ook groote mannen, vallen gewoonlijk tegen, als men ze van nabij leert kennen ; en de zonden springen te meer in het oog, als zij afsteken tegen schitterende gaven. Ook Goethe, die als de „Olympiër" verheerlijkt wordt, kon grillig en luimig,

1) Vergelijk ook Pierson, Gids 1891 IV 30—33.

2) Kollewijn II 341.