Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scherp en bitter, gedrukt en ontevreden zijn 1). En nu heeft Bilderdijk in zekeren zin het ongeluk gehad, dat hij met zijné verbazende openhartigheid alles uitte wat er in hem omging, dat hij het toevertrouwde aan het papier en er zelf voor een groot deel door de pers publiciteit aan gaf. Hij gevoelde behoefte, steeds zichzelf te bestudeeren 2); hij was altijd met zichzelven bezig, hij bestudeerde zijn gelaat, zijne portretten, zijn lichaamstoestand, zijn zieleleven, gaf zich rekenschap van de geringste gewaarwording, van elke verandering in zijne stemming, en zocht er oorzaken voor. Als men hem naar zijne gezondheid vraagde, begon hij een lang relaas te geven en was hij niet dan met groote moeite van dit onderwerp af te brengen 3). In zulke zelfbespiegeling steekt een groot gevaar ; zij leidt er licht toe, dat men in zichzelf altijd eene zekere abnormaliteit ontdekt, dat men ziekten en kwalen opspoort, ook waar ze niet zijn, en dat men tot anderen steeds over zichzelven, over eigen toestand spreekt. Aan dat gevaar is geen schrijver van een dagboek, van eene bekeeringsgeschiedenis, van confessiones en is ook Bilderdijk niet ontkomen. Maar daarom is Bilderdijk ook van alle kanten te bezien. Hij heeft niets van zichzelf verborgen gehouden. Wie zijne zwakheden, zijne gebreken, zijne zonden opsommen wil, vindt in zijne geschriften overvloedige stof. Wat zou menig groot man er anders uitzien, als wij zooveel van hem wisten als van Bilderdijk !

Reeds deze openbaring van wat hij is en van al wat er in hem omgaat, wijst er op, dat wij in Bilderdijk te doen hebben met eene door en door subjectieve natuur. In dit opzicht was hij aan Rousseau verwant, wiens Confessions door hem vertaald werden 4); evenals deze, was hij een tolk van den nieuwen geest, van den geest der romantiek, die het menschelijk subject weer in het middelpunt plaatste. Met deze eigenaardigheid van zijn persoon was Bilderdijk zelf zeer goed

1) Verg. C. A. H. Burckhardt, Goethes Unterhaltungen mit dem Kanzier Friedrich von Müller. Stuttgart, Cotta 1898. besproken in Neue Kirchliche Zeitschrift 1900 bl. 743 v., en ook hetzelfde tijdschrift 1906 bl. 322—328.

2) Van kindsbeen vestte zich mijn aandacht op mijzelven, zegt Bilderdijk zelf, Dichtw. XII 370. Vergelijk ook het Nabericht van zijne Ziekte der Geleerden. 3) Kollewyjn II 384. 4) De vertaling zag nimmer het licht, Kollewyjn II 448.

Sluiten