Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vosmaer werd bedoeld. De worsteling tusschen moderne en Christelijke wereldbeschouwing is veel te ernstig en gaat veel te diep, dan dat er van een triumf der eerste thans reeds sprake kan zijn. Aan de „uitvaart" der laatste is het nog lang niet toe.

Ondanks deze principiëele tegenstelling, behoort Bilderdijk niet aan ééne groep in het Nederlandsche volk toe, maar aan dat volk in zijn geheel. Partijman was hij door en door, inzoover neutraliteit, onaandoenlijkheid, onverschilligheid in het kleine zoowel als in het groote voor hein een onding was. Maar hij was het niet in dien zin, dat hij, zich opsluitend in een engen kring, voor al wat daar buiten omging, geen oog en geen hart had. Zijn geest was daarvoor te origineel, te rijk, te universeel aangelegd. Hij heeft vele leermeesters gehad en nam het goede, waar hij het vond, maar niemand is zijn geestelijke vader geweest. En als hij denkend en dichtend den inhoud van het Christelijk geloof ontvouwde, dan was het, omdat hij daarvan heil verwachtte voor heel het rijke, volle menschenleven. Vader is hij geweest van het Nederlaudsch Réveil. Maar zijn invloed is en mag daartoe niet beperkt blijven. Hij was óók een der rijkstbegaafde mannen van ons vaderland, denker als weinigen, dichter bij Gods genade, meester onzer taal, verdediger onzer nationale zelfstandigheid. Zoolang diep gevoel en rijke verbeelding, edele hartstocht en heroische moed, geniale vlucht en echte poëzie, warme liefde voor Oranje en Nederland op dezen bodem in eere blijven, mag Bilderdijk aanspraak maken op de hulde van heel de Nederlandsche natie. Of het volk die hulde hem betoonen zal, is eene andere vraag. Om de gunst des volks heeft Bilderdijk niet gebedeld; naar populariteit heeft hij nimmer gestreefd. Als deze hem onthouden wordt, spreekt het Nederlandsche volk, niet over Bilderdijk, maar over zichzelf het vonnis uit. Want klein is een volk, dat zijne groote mannen niet eert.

Sluiten