is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewijde poëzie beweegt zich op dit terrein, maar al zijn denken en doen staat met de religie in verband ; onze godsdienst is een vroolijke godsdienst, zeide hij eenmaal, zij veroorlooft ons ieder zuiver genot; men kan alles ter eere Gods doen 1). Godsdienst is aan kunst, poëzie, wetenschap, vaderlandsliefde, staatkunde verwant; Bilderdijks philosophie valt met zijne theologie saam. Hij beschouwt alles sub specie aeternitatis, van uit het standpunt Gods ; hij neemt altijd en overal positie in Gods woord en wet, en legt dezen maatstaf aan alle verschijnselen en gebeurtenissen aan. Niet een wijsgeerig beginsel, niet een afgetrokken Godsbegrip, maar de God der openbaring is het uitgangspunt van zijn leven en denken. Het bestaan Gods is voor Bilderdijk boven allen twijfel verheven ; eene wereld, die uit zichzelve ware voortgesproten, is voor hem een waan :

Hoe wording, eer iets is ? hoe 't Al in 't Niet besloten ?

Is 't Zijn en Niet- zijn niet weerstrevig aan elkaar?

Is wijsheid, onzin; en 't zichzelf weersprekend, waar?

Het Godverloochenen is daarom zich opgedrongen logen :

Wat is, bestaat; zijn bron is 't door zichzelf bestaan,

Dat 's God; Hij, waarheid; en al 't andre, blinde waan! 2)

Even ongerijmd is het voor Bilderdijk, het bestaan Gods te erkennen, maar zijne openbaring te verwerpen. Indien God bestaat, daar openbaart Hij zich ook :

Hoe, zou de Almachte God zich onzer niet ontfermen ?

Ons, tot Zijn dienst gevormd, niet hooren als wij kermen ?

Waartoe dan door 't heelal zijn macht en majesteit Voor 't reedlijk schepslendom ter terging uitgebreid ?

Waartoe den mensch gevormd en hem den trek gegeven, Om 't Wezen dat hem schiep steeds naderbij te streven ?

Bij de onmacht tot het goed een kennis ingestort,

Waardoor hij voor zichzelv' gestaag veroordeeld wordt ?

Hoe! 't pronkstuk van Gods hand, van ongelijkbre waarde, Dit wierp zijn Maker weg, verachtlijk weg op de aarde?

Met vatbaarheid bedeeld voor Englen heilgenot,

Maakt Hij zichzelv' den mensch niet kenbaar als zijn God ?

Verbonden, zijn gedrag naar 's Scheppers wil te richten, Verwaardigt Hij hem zelfs geen kennis van zijn plichten;

Maar eischt, dat in den staat der blindste onwetendheid,

Zijn reden zonder gids hem tot de waarheid leid' ?

1) Bij Kollewijn II 424. 2) Dichtw. VI 146, verg. ook bh 95.