Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neen, stervling! neen, uw God moest u den wil onthouen, Of zelf het geen Hij wil en van u eischt, ontvouwen. 1)

Maar als God zich geopenbaard heeft en uit zijne openbaring kenbaar is, dan is het onverstand, zich door het denken eene Godheid te vormen, die niets is dan een afgetrokken begrip,

Een Filosofen God, gelijk alle afgodsbeelden Die 't eigen maaksel zijn van die hun 't offer plengt;

Slechts van een fijner soort dan kunst en beitel teelden, En wier vereering waan met Duivlen-trotsheid mengt. 2)

Die waarachtige God is de God der openbaring, wiens stem vernomen en bezegeld wordt in hart en geweten :

Verheerlijk God! maar niet den God,

Dien ge in uw binnenst schept;

Den God wien ge in uw brein gekneed,

In 'c hart gebeiteld hebt.

Geen God, die zulk een goedheid is,

Als aan Zijn recht onttrekt;

Geen God van louter wraak en vloek,

Met bliksems overdekt.

Geen God, wiens oog die zonde duldt Die ge in uw boezem streelt;

Geen God, als 't zondig hart zich wenscht,

Naar uw verdorven beeld,

Geen God, wiens wijsheid gij doorgrondt,

Die aan uw leiband loopt;

Maar dien Zijn heilig woord verkondt,

Wien 't hart en vreest en hoopt. 3)

Wat Bilderdijk in de godsdienstleer van zijn tijd tegenstaat, is haar autonomie, haar streven om den mensch onafhankelijk te maken van God, van Zijn wet en evangelie, een God te verzinnen naar eigen wensch en lust. Hij voert hare tolken eens sprekende aldus in :

Zeker, zoo gij zeedlyk leeft, En den God erkent en huldigt

Die u 't licht geschonken heeft, Is Hij dank aan u verschuldigd. Dank, ja eeuwig eindloos loon, Vordert zulk een dienstbetoon.

Foei! wat dwinglandij waar dat, Zulk eene ongehouden goedheid,

Dat men Hem een poos aanbad, Niet te erkennen met die zoetheid, Even of Hij 't vordren mocht Dat men Zijn behagen zocht!

1) Dichtw. V 24. 2) Dichtw. V 470. 3) Dichtw. V 326.

Sluiten