Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij gevoelen zijne tegenwoordigheid in de diepten van ons hart, wij zien zijne gangen in de geschiedenis, en wij hooren zijne stem in de gansche natuur. Het leven der ziel is aan liet leven Gods en aan dat van heel de natuur verwant. God, natuur (geschiedenis, H. Schrift), en mensch behooren bijeen als auteur, boek en lezer. Zijn, leven, waarheid, godsdienst, poëzie zijn één ; ze zijn voor geen verstandelijke ontleding vatbaar, maar worden beseft in de diepte van het gemoed. Bilderdijk was zich zijne verwantschap met sommige mannen uit deze romantische school helder bewust. Terwijl hij Borgers verhandeling over het mysticisme geraaskal noemt 1) spreekt hij van Swedenborg 2), Jung Stilling 3); J. F. von Meyer 4) steeds met groote waardeeringen neemt verschillende denkbeelden van hen over. De waarheid van het magnetisme (somnambulisme, Mesmerisme) werd door hem volstrekt niet betwijfeld, al keurde hij het toepassen van deze kracht uit een zedelijk oogpunt beslist af, wijl de magnetiseur zich van de persoonlijkheid, het verstand en den wil van den somnambule meester maakt en deze tot instrument verlaagt 5).

Indien alle schepselen op deze wijze, in volstrekte afhankelijkheid van God, zijne deugden vertoonen en in het geestelijke, in gedachten, rusten, dan spreekt het vanzelf, dat zij ook onderling verwant zijn en tot elkander in de nauwste betrekkingen staan. Alheid, streven naar alomvatting, zegt da Costa terecht, was de hoofdgedachte van Goethe; eenheid, orde, harmonie, die van Bilderdijk. In zijne dithyrambe aan de Orde 6) spreekt hij deze aldus aan :

Heilige orde dezer wareld,

Die den scepter van gezag Over nachtbeurt voert en dag,

En een kroon spant, rijk ompareld

Met gevonkel Van robijnen en karbonkel En saffieren flonkerbag!

U wil ik ter eere zingen U, behoudster aller dingen,

1) Brieven III 134. 2) Brieven I 188 IV 48, 84. Opstellen II 74. 3)_Bneven I 200 IV 119. 4) Brieven III 89. Opstellen I 117.

t SL verhandeling: Over het dierlijk magnetismus, Opstellen

1 103—108. Brieven I 282.

6) Dichtw. VIII 307.

Sluiten