is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van vatten 1). In het licht dezer woorden moet ook het dichtstuk : De Bieren worden verstaan. De philosophie van vroeger en later tijd tracht den mensch uit het dier te verklaren. Bilderdijk sloeg den tegenovergestelden weg in, en wilde uit den mensch het dier verstaan 2). Het was hem ook in dit dichtstuk om de ziel en hare betrekkingen, om de verhouding van de geheimzinnige dierenwereld tot God en geesten, tot mensch en aarde te doen. Dit verschil van beginselen is nog aan de orde, en het blijft de vraag, wie gelijk heeft, hij die den geest uit de stof of die de stof uit den geest verklaart.

Op dezelfde wijze tracht Bilderdijk ook de plaats der engelen en der afgestorvenen in de orde van het heelal, en hunne verhouding tot den mensch te bepalen. Ook hierbij werd hij door de idee der eenheid van alle schepselen geleid. Waar blijft, zoo vraagt hij in zijn gedicht over de Geeslemoareld,

Waar blijft, vermeetle mensch, dat hemelschoon verband

Der schepping, kenmerk van een alleswijze hand,

Dat alles schraagt, vervangt, en door elkaar doet vlieten

Tot onderling behoud, en steunsel, en genieten ?

Waar blijft dat, zoo die kring, aan aard en menschdom vreemd,

In 't geen den stervling treft, belang noch aandeel neemt?

Zoo zijn er warelden, geen wareld ; niets volkomen.

Zoo is 't de Almacht niet, die de onbesefbre toornen

Der dingen voert; maar 't zijn gedeeltlijke ondergoön,

Verdeeld in wezens, en bedoeling, Hem ten hoon!

Zoo is de schepping niets dan stukwerk, niets dan deelen

Die onvereenbaar zijn, en 't scheppen geen bevelen,

Maar moeilijk pogen, dat geen doel heeft in 't Heelal;

En de Oppergodheid is een redenloos Geval. 3)

De mensch heeft niet in zijne waarneming en verstand, maar in zijn hart een orgaan, waardoor hij de banden aan de wereld der geesten, hun bestaan en hun invloed gevoelt. En omgekeerd blijven de zielen na den dood met de aarde en met de menschen in verband staan. De gade in den hemel blijft in gemeenschap met den echtgenoot, want de echt is onverbrekelijk en de liefde is geen guichelspel. De band tusschen ouders en kinderen is zoo diep en innig, dat hij ook door den dood niet verbroken wordt. En de engelen waken over ons, staan ons bij in den

1) Dichtw. XV 168. 2) Verg. Dichtw. VI 354. 3) Dichtw. VII 113.