is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Christus. Wijl de zonde geen zwakheid was, maar opstand, schennis van Gods recht en wet, kon vergeving alleen geschonken worden in den weg van strafvoldoening, die door Gods heiligheid geëischt werd :

Daar is, o sterveling geen vrede zonder zoen ;

Daar is geen zoen met God dan door het schuldvergeven;

En geen vergeving kan bestaan dan door 't voldoen,

En geen verzoening baat dan die de schuld vereven'. 1)

Maar Christus, Gods raenschgeworden Zoon, heeft die schuld en straf in de plaats der zondaren op zich genomen, en door zijn bloed de verzoening, den vrede, de reinigmaking verworven. Deze waarheid staat inderdaad in het centrum van Bilderdijks geloof. Middelpunt van zijn godsdienstig bestaan is de gekruiste en verheerlijkte Christus. Dit is de hoofdsom van zijne belijdenis. Hij komt er altijd weer op terug. Alles ligt voor hem in dat ééne besloten. Hij ijvert voor die leer met verterenden gloed. Hij is waarlijk, wat hij zichzelf noemt, j/priester van het zoenbloed". En al is het niet juist, wat Gorter hieraan toevoegt, dat zijne poëzie er onder lijdt, toch is zijne taal, als hij het bloed van dezen zoendood ter sprake brengt, soms aan die van het mystisch realisme verwant.

Maar ook dit realisme hangt met zijne opvatting van de eenheid tusschen Christus en zijne gemeente saam. In zijn opstel over de Strafvoldoening 2) gaat Bilderdijk uit van het natuurlijk besef, het ingeschapen denkbeeld van de strafsehuldigheid der zonden. De straf is niet in staat of maatschappij gegrond, en heeft niet allereerst het afschrikken van anderen tot doel, maar rust op de vergeldende rechtvaardigheid. Daarom was voldoening voor de vergeving der zonden noodzakelijk. En Christus kan die aanbrengen, omdat Hij, waarachtig God, toch mensch geworden is en op het allernauwst zich met de menschheid vereenigd heelt. Op grond van die eenheid was het niet onrechtvaardig, dat God in Christus den zondaar strafte. Want het is immers ook niet onrechtvaardig, dat men om een diefstal bijvoorbeeld, die 't werk van de hand is, niet de hand maar de rug straft, dat men om een baldadigheid tegen de zedelijke ordening, de maag straft, die

1) Dichtw. VI 88. Verg. de verhandeling: Over de Borgtochtelyjke Voldoening, Nieuwe Mengelingen I 235v. Brieven III 269v. 2) Opstellen I 8 13.