is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekerlijk dit vergrijp even weinig begaan heeft, als de rug den diefstal. Waarom is dit niet onrechtvaardig? Omdat rug en havd één persoon uitmaken. Het komt derhalve bij de straf op de eenheid aan, en waar die eenheid is, is geene onrechtvaardigheid. De eenheid is hier, als in alles, het groote punt. God zelf is een, en eenheid is het wat goed, wat schoon, wat volmaakt maakt.

Maar opdat die eenheid volkomen zij, is het niet voldoende, dat Christus zich in het afgetrokkene met de menschheid vereenige, doch is er eene individueele, persoonlijke zielsvereeniging met Hem noodig, opdat er in het lijden, dat Christus op zich nam, voldoening zij voor ieders eigen schuld en overtreding. Eene algemeene voldoening is dus een onding 1). Eenheid, geene intellectueele, maar waarachtige geestelijke eenheid van den schuldige met Hem, die door 't straftijden geboet heeft, is noodig tot bevrijding des schuldigen.

Hierom is het, dat Christus door Zijn Geest in ons leven moet; hierom is het dat wij wedergeboren moeten worden, om tot deze eenheid met Hem gebracht te worden ; en hierom is het dan ook, dat naar Zijne Goddelijke vrijspraak, niemand ten hemel kan ingaan, tenzij wedergeboren. Zie daar overzulks den grond, waarop wij in s Heilands straflijding, in zijn ondergaan van den toorn Gods van onze zonden en overtredingen berusten kunnen met vrijmoedigheid, met vertrouwen en zekerheid. Wij zijn één met Hem door 't geloove ; dit vereenigt ons in het harte met Hem ; en dus is het dat wij door Hem gerechtvaardigd, door Hem geheiligd, en onzer zaligheid zeker worden.

Hoe weinig Dr. van Vloten een man als Bilderdijk begrepen heeft, als hij zeide, dat Bilderdijks rechtzinnigheid eene zaak van zijn hoofd, niet van zijn hart was en dat hij geen geloovig hart en gemoed bezat, kan uit het bovenstaande reeds blijken ; afgezien daarvan, dat het een mensch niet toekomt, alzoo over het hart van zijn naaste te oordeelen. Maar hetgeen Bilderdijk aan het bovenstaande toevoegt, stelt nog duidelijker in het licht, hoe weinig hij met een bloot verstandelijk Christendom zich tevreden stelde.

Edoch, zoo gaat hij vragende voort, wat is dat geloof, dat ons

1) Brieven V 286, 287. Dichtw. VI 76.

6