is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus met Christus als leden van één hoofd vereenigt? En op die vraag geeft hij ten antwoord : Het is geen historisch geloof aan zijn lijden en sterven. Zoodanig een geloof, zegt de Apostel Jacobus, is den duivelen met ons gemeen, en heeft geen vertroosting. Het is geen historisch geloof aan Zijn Evangelie uit verstandelijke overtuiging van de historische waarheid. Ook dit kan de doemeling hebben en verloren zijn. Het is even weinig een redenbegrip van den leer des Christendoms uit wijsgeerige gronden en gevolgtrekkingen, noch eene overtuiging van de juistheid en waarachtigheid van dien leer. Ook dit kan bij hem plaats hebben, die zich daarop verheft, en voor Christus zichzelven eert, ja Godslasterlijk zichzelven tot zijn eigen afgod maakt. Neen, het is hetgeen Paulus het verklaart in Hebr. XI: 1, en bevat dus de zekerheid door inwendig en zichzelf overtuigend gevoel onzer roeping en aanneming en vergeving en heiliging. Het is dus niet van ons afhankelijk, maar van God zeiven, die het door Zijn Geest in ons werkt en zich in die werking herkennen doet; en dus, ja, een zeker weten en kennis dragen van Christus eigen te zijn ; en vereenigt de toerekening van Zijn lijden, van Zijne verdiensten met onze ons eigen bewustheid. Toerekening, die onze rechtvaardigmaking is, waarvan onze dankbaarheid en volkomen vereeniging door de heiligmaking 't gevolg is. En in deze drie punten bestaat onze aanneming, onze vordering, en vervolkoming in de eenheid met onzen Goddelijken Verlosser, wien met den Vader en den Heiligen Geest, lof, eer, en dank zij op aarde en door alle eeuwigheid ! Amen.

God van wraak en van genade, die wat strijdigst is, vereent! Waar, waar leeft hij wien dit wonder, van verbazing niet versteent ? Wij, genadig aangenomen; wij, de zonen van 't verderf,

Tot Uw kindren, o Erbarmer! deelgenooten van Uw erf!

Hoe begrijp ik 't ? — Maar begrijpen ! Hoe begrijp ik dat ik ben, Ik, die noch mijn eigen wezen, noch het minste stofjen ken ?

Neen, geloove ik! — Maar gelooven ! Hoe geloof ik ? — Is 't aan mij, In dit hart geloof te scheppen, staat me Uw eigen kracht niet bij ? Neen ! ook Gij schenkt mij 't gelooven door Uw heiligenden Geest, Gij, die 't offer voor mijn zonden, mijn Verlosser, zijt geweest. — Die voor 't wentlen aller eeuwen, eer Uw hand een stofgrein schiep, Bij het raadsbesluit ter redding 't Goddelijk: hier ben ik, riep; Die, Geliefde Zoon des Vaders, van voor de eeuwigheid geteeld,