Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne eigenlijke meening zeer duidelijk in de volgende woorden vertolkt: Het is hier (n.1. bij het vraagstuk der oorzakelijkheid) wederom als in alle de duisterheden van onze Natuur- en Bovennatuurkunde. Het is dat wij tot het verstand gebracht hebben, en dus niet het verstand bevatten willen, hetgeen tot het verstand niet behoort. Het verstand is 't vermogen van twee denkbeelden te samen te vergelijken en het gelijke of onderscheidene tusschen die op te merken; waarop alles neerkomt wat wij oordeelen noemen. Maar die denkbeelden zelve die wij vergelijken, behooren tot het verstand niet. Zij behooren tot de verbeelding, en hebben zelve hun grond in de vatbaarheid van 't gevoel. Dat dit gevoel tweeërlei is, zintuiglijk (of lichaamlijk, gelijk wij het noemen) en geestelijk (of mentaal), behoeft hier naauwlijks opgemerkt. Genoeg, dat beide zintuiglijke en mentale gewaarwording op de verbeelding (die nimmer rusten kan) werken, haar in werking brengen, en door eene (het eene min, het andere meer) analogue aandoening in verwekken, waar het aanschouwend verstand zich dan mede bezig houdt.

Het voorwerp des verstands is dus het denkbeeld ; dat is te zeggen, 't geen de verbeelding ons voorstelt, en dit ook alleen. En alle onze besluiten, alle onze verstandelijke kennissen blijven hangen in dit wargaren, en bepaald bij hetgeen zij aan het verstand oplevert. Beseffen van gevoel, wezendlijke en onmiddellijke gewaarwordingen, ingeschapen vatbaarheden der ziel, 't eigenlijk gevoel van onszelven of van iets buiten ons, is geen voorwerp, kan geen voorwerp zijn voor het verstand, maar is geheel buiten zijn kring. Alleen besluit het of kan het besluiten over eenige denkbeelden ter gelegenheid van eenig gevoel of gewaarworden, ons, van binnen of van buiten ons, opgekomen ; welke wij als avaloyue of eenigszins overeenstemmende niet die gewaarwordingen onderstellen ; maar, behalve dat wij niet weten kunnen, in hoe verre en op welk eene wijze die overeenstemming of analogie plaats heeft, of waarin zij eigenlijk bestaat; hoe minder wij ons gevoel beoefenen, hoe meer wij 't verdoven, en ons aan de denkbeelden overgeven, die door de verbeelding uit de zintuiglijke wareld genomen worden, des te minder, te flaauwer, te onvolkomener wordt die opwekking van het een door het ander, en wij verwoesten onze ziel zelve, door niet alleen verstandig, maar

Sluiten