is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid Gods, die met de eenheid samenvalt. De schoonheid is niet iets, dat door ons geproduceerd kan worden, maar dat kinderlijk door ons ontvangen en genoten moet worden. Zij neemt eene eigen plaats in, is van het zinnelijke (aangename) en van het verstandelijke (nuttige, doelmatige) wezenlijk onderscheiden, is aan waarheid en goedheid verwant, hemelsch van oorsprong, eene gave Gods, kroost van den Ongeborene, en daarom in staat, om door haar invloed, gelijk Bilderdijk zelf letterlijk zegt, den mensch te veredelen, te vergeestelijken, te verzedelijken en (om eene zeer oneigen uitdrukking, maar waar ik geene andere voor in de plaats weet te stellen, die nadrukkelijk genoeg zijn zou) te vergoddelijken en te volmaken 1). Het laat zich begrijpen, dat Bilderdijk op dit standpunt geen groote waarde kon toekennen aan de aesthetica van zijn tijd. Wel achtte hij eene schoonheidsleer op zichzelve niet onmogelijk ; maar het onderwijs in de zoogenaamde aesthetica maakte op hem den indruk, alsof men aan de schoonheid en de kunst wetten wilde stellen, die door het menschelijk verstand waren uitgedacht. Met het oordeel der kunstcritici had hij daarom weinig op; hij nam het woord van Lessing over: Ich bin überzeugt, dass das Auge des Künstlers viel scharfsichtiger ist als das scharfsichtigste seiner Betrachter 2).

I it dit gezichtspunt beschouwde Bilderdijk alle schoonheid in natuur en kunst. Wijl natuur een verheven staal van de Almacht hier beneden is, zijn hare verscheidenheden niet alleen onuitputtelijk rijk, inaar is ze ook altijd schoon, zelfs in hare afschuwlijkheid, en waar men dat schoon treft, altijd aandoenlijk 3). In plaats van den Engelschen tuinaanleg, die perk en hof en bosch in wildernis verkeerde, en kunstmatige bergen, afgronden, heuvelen, paden, sloten en bruggen vormde, verlangde Bilderdijk eene tuinkunst, die door de harmonie van het welgestemd geheel het oog en harte streelde 4). In de schilderkunst eerde hij een zuster der dichtkunst, die, met haar van hemelschen oorsprong, in hare tafereelen de eenheid van het geheel bewaren moet door het groepen van zijn deelen, en niet tot doel heeft, de natuur als volgster uit te drukken, maar een heelal schept, met een nieuwen

1) Taal- en Dichtk. Versch. II 42, 43. 2) Dichtw. XV 120, 121. V 179. 3) Dichtw. VI 303, 349, 493. 4) Dichtw. VI 303.