is toegevoegd aan uw favorieten.

Bilderdijk als denker en dichter

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

innigheid. Zijn Buitenleven strekt daarvoor ten bewijze, want wel is het eene vertaling van Delille's Homme des Champs, maar Bilderdijk heeft het Hollandsch gemaakt 1). In de onderscheiden staten der menschen zag hij een heilzaam onderscheid ; rijken en armen kunnen in geluk en in nood elkander niet missen 2); bezit en eigendom hebben hun grond in de behoefte des menschen, en dragen niet alleen een lichamelijk, maar ook een geestelijk karakter ; de verdediging van ons goed hangt met die van ons lichaam en van onze vrijheid saam 3). Het heer- en knechtschap is uit eene onderwerping voortgekomen, die een voorafgegaan diep verval en uitersten van jammer onderstelt; de slavernij behoort niet tot de oorspronkelijke natuur van den mensch, maar zij is in onzen vervallen toestand wettig en in veel opzichten heilzaam, gelijk de historie onloochenbaar leert 4). Van de groote steden was Bilderdijk geen vriend, hij gaf aan het landleven met zijne eenvoudige zeden de voorkeur 5), en landbouw werd door hem boven den handel gesteld 6).

In zijn Buitenleven stelt hij in heel het bedrijvig leven van den landman belang ; landbouw en veeteelt, jacht en visscherij, ontginning en droogmaking, aardlagen en delfstoffen, planten en dieren tot de kleinste insecten toe, alles trekt zijne aandacht. Van een dorpspredikant en schoolmeester geeft hij eene mooie beschrijving 7), en de schooljeugd met haar spelen 8), het volk met zijne feesten 9) wordt door hem niet vergeten. Zelfs het tooneel droeg Bilderdijk een goed hart toe, mits het anders ingericht werd als in Griekenland, zuiver spel en vertooning bleef en er zich toe bepaalde, om door vrees of medelijden onze hartstochten te roeren 10).

Armoede wekte zijn medelijden. Hij had, buiten en door zijn schuld, er zelf dikwerf kennis mede gemaakt. Weldadigheid was in zijn oog een kostelijke deugd; zij moet van den kant der rijken de afgunst weerstaan en den nijd ontwapenen. Wel mag

1) Da Gosta, De Mensch en de Dichter bi. 154. 2) Dichtw. VI 288. 3) Verhandelingen bl. 33, 69,87. 4) Verhandelingen bi. 91. 5) Dichtw. VI 290, 357v. 6) Bij Kollewijn II 137. Verg. Dichtw. VIII 261, 304. VI 245. XIII 188, 210, 316. XIV 153, 154. 7) Dichtw. VI 291—294. 8) Dichtw. VI 294. 9) Dichtw. VI 296. 10) Dichtw. VI 276. VII 18. Dichtw. XV 140v. Brieven I 194. III 95, 307. Taal- en Dichtk. Versch. I 184, 195.