Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de eene al belangrijker was dan de andere, en die alle strekten om de wereld cjualitatief en quantitatief hoe langer hoe grooter te doen schijnen voor den mensch. Zooals de Schrift in haar zuiverder zin door de Hervorming, zoo werd de natuur in haar waren aard door de wetenschap ontdekt. Hemel en aarde ontsluierden hun mysteriën. De nieuwe wereldbeschouwing kwam met de oude in conflict. En het is te begrijpen, dat Cremonini, toen Galilei de trawanten van Jupiter ontdekte, door geen telescoop meer kijken wilde, omdat dit gevaarlijk was voor het gezag van Aristoteles x).

De verbazende ontwikkeling, welke de natuurwetenschap in korten tijd verkregen had, verwekte de andere wetenschappen tot jaloerschheid. Deze schenen eeuwenlang stil te staan en geen schrede vooruit te komen, terwijl de natuurwetenschap, die het laatst van alle was ontstaan, na korte beoefenin^~ö"p schitterende en vaststaande resultaten bogen kon. De gedachte kwam op, dat de andere wetenschappen misschien even voorspoedig zouden1 zijn en even grooten vooruitgang zouden maken, als zij dezelfde empirische en mathematische methode gingen toepassen, welke door de natuurwetenschap gevolgd werd. Met het uitspreken en uitwerken van deze gedachte begon de wijsbegeerte van den nieuweren tijd. Cartesius 1596—1650 paste in de philosophie de deductieve

methode der mathesis toe, en Francis Bacon van Verulam 1561

1626, sloot zich in zijne wijsbegeerte bij de inductieve methode van het natuur-onderzoek aan.

Om tot kennis te komen, moest de mensch eerst alle vooroordeelen afleggen en dan gansch onbevangen aan het waarnemen en onderzoeken gaan. Onder die vooroordeelen verstond Bacon niet allerlei ongegronde, toevallige meeningen, maar ook alle wijsheid en wetenschap, welke de menschheid tot dusver verworven had. Uit de hoogte zag hij op de ouden neer, op Plato en Aristoteles, op Hipparchus en Archimedes, op Apollonius en Hippocrates,' die allen wel vaardig in het praten en rijk aan woorden, maar arm in zaken waren. De ouden, wier oudheid hun bij velen gezag verleent, dragen ten onrechte dien naam; zij zijn de ouden niet, want zij leefden in een tijd, toen de wereld veel jonger was; maar de ware ouden zijn wij, die in een veel later tijd leven en eene eeuwen-

1) Windelband, t. a.p. bl. 57.

P. Beg

3

Sluiten