Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met geen uitwendige handelingen zich tevreden stelt, maar op onze innerlijkste genegenheden beslag legt, aan geen legaliteit genoeg heeft, maar echte, diepe, volkomene moraliteit verlangt.

Welnu, laat de mensch zich toetsen aan dit ideaal! Laat hij zichzelf onderzoeken ernstig en nauwgezet, even exact als wanneer hij een belangrijk wetenschappelijk onderzoek instelt. Laat hij dat doen, eerlijk, onpartjjdig, oprecht, de waarheid aandurvende, ook waar ze hem veroordeelt. En het resultaat van dit onderzoek kan geen oogenblik twijfelachtig zijn. Het is opgemaakt en uitgesproken, niet door goddeloozenjyjotters, misdadigers, maar door de vroomsten van ons geslacht onder alle volken en door alle eeuwen; en eenparig hebben zij beleden: wij liggen in onze schaamte en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den Heere onzen God gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag, en wij zijn der stemme des Heeren onzes Gods niet gehoorzaam geweest. De realiteit, de algemeenheid, de schrikkelijke macht der zonde is door alle menschen van ernstigen zin erkend. Als Kant, schoon overigens volstrekt geen rechtzinnig man, onder den indruk kwam van de majesteit der zedewet, zag hij den mensch diep voor haar gebogen in het stof en sprak hij van het „Radikal Böse" der menscheljjke natuur.

Maar bij deze erkentenis van zonde en schuld, van machteloosheid en ellende kan de mensch, kan ook de paedagogiek niet leven. Als wij van niets anders wisten dan van 's menschen zedelijke verdorvenheid, zou er van opvoeding geen sprake kunnen zijn, zou het ons ook aan den moed en de kracTït falen, om het werk der opvoeding ter hand te nemen; en de slotsom van al onze wijsheid zou geen andere zijn, dan dat al wat bestaat, waard is te gronde te gaan. De theorie en de practijk der opvoeding moeten dus wel, om recht van bestaan te hebben, en zichzelve in het leven te behouden, naar eene meer optimistische beschouwing van den mensch uitzien i); en dikwerf hebben paedagogen luchthartig van het zedelijk vraagstuk zich afgemaakt, zonder ernstig onderzoek de onverdorvenheid der menschelijke natuur gepredikt, alle schuld der menschelijke ellende op de maatschappij geworpen en zoo de moge-

*) Kant en Schopenhauer zijn daarom beiden ter wille van de practijk op hunne leer van het diepe bederf der menschelijke natuur teruggekomen en hebben „Selbsterlösung" voor den mensch mogelijk geacht. Vergelijk mijne: Christelijke Wereldbeschouwing2, Kampen, J. H. Kok 1913.

Sluiten