Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard. Er zal dan meer van terecht komen, dan wanneer gij ze als broeikasplanten behandelt en door eindelooze reglementen en voorschriften hunne natuur onderdrukt.JZoo is er, met eenigszins goeden wil, in de nieuwe richting veel op te merken, dat waardeering en steun verdient. In zoover zij bewogen is met het lot van vele verwaarloosde kinderen, bij de opvoeding op kennis van het kind en zijne eigenaardigheden nadruk legt, in het onderwijs meer „Bildung" en minder verstandelijke ontwikkeling verlangt, aan den individueelen aanleg, aan de bijzondere gaven en krachten, aan het initiatief meer ruimte wil stellen en voor vele andere verbeteringen bij het onderwijs en de opvoeding ijvert, heeft zij aanspraak op onze sympathie. Maar de beginselen, waardoor de reform-paedagogiek geleid wordt, zijn ten eenenmale verwerpelijk.

44. Ten eerste doet zich hier voor de fundamenteele, alles beheerschende quaestie van het gezag. Tot wering van misverstand moet hierbij terstond tusschen tweeërlei gezag onderscheiden worden. Er is zedelijk (persoonlijk) en er is juridisch (ambtelijk) gezag. Over zedelijk gezag zal er misschien geen verschil van meening bestaan; zij, die overigens alle juridische autoriteit ontkennen, zullen waarschijnlijk aan het zedelijk gezag nog wel eene plaats inruimen. Het is n.1. inhaerent eigen aan ieder, die ergens meer dan anderen verstand van heeft; het is eene eigenschap van alle deskundigen. Ieder, die studie van eenige wetenschap, kunst, beroep, ambacht enz. gemaakt heeft, brengfdaardoor vanzelf eenig gezag mee, waartegen anderen onwillekeurig opzien. Maar dit gezag is niet hePeinde van alle tegenspraak, het mag vrijmoedig onderzocht worden, het is slechts zoo sterk, als de gronden van kennis, waarop het rust. Als een echt-wetenschappelijk man over zijn vak eene voordracht houdt, zal ik geneigcTzijn, ze om de zedelijke autoriteit, om den naam van den auteur voor waarheid aan te nemen. Maar ik heb toch, evenals ieder mensch, het recht, om haar aan critiek te onderwerpen, en zijn gezag afhankelijk te stellen van de wetenschappelijke gronden, waarop het rust. Is nu het gezag van de overheid in den staat, van de presbyters in de kerk, van de ouders in het huisgezin, van den onderwijzer in de school, van den officier in het leger, van den kapitein op" het schip, van den meester in de fabriek, van den baas in de werkplaats enkel en alleen van zulk een zedelijken aard of draagt het nog een ander karakter?

Sluiten