Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook het „aanschouwingsonderwijs" op te nemen, en één of meer .uren 's weeks speciaal te wijden aan de oefening van het gezichtsvermogen. Deze consequentie ligt voor de hand; als de gezichtswaarneming het beginsel van alle onderwijs en kennis is, dan moet niet de mensch in zijfljjeheel, maar zijn lichamelijk oog het middelpunt en de maatstaf^der opvoeding worden. De adelaar met zijn scherpen blik wordt het ideaal voor den mensch; en als straks dezelfde methode ook op de lagere zintuigen toegepast wordt, kunnen wij met vrucht bij Indianen en Irokeezen, of ook bij speurhonden en tijgers een les'gaan nemen1).

Maar als men de aanschouwing en hare oefening tot maatstaf van het onderwijs maakt, raakt men van de eene moeilijkheid in de andere. Men weet n.1. niet, waar men beginnen en waar men eindigen zal. Pestalozzi stelde voor, dat de aanschouwing zou aanvangen met en zich het allereerst zou oefenen op het eigen lichaam. Dit was inderdaad naar den regel, dat het onderwijs van het naastbij gelegene moest uitgaan en langzamerhand tot het verst verwijderde moest 'voortschrijden. Maar toch vond dit voorbeeld weinig navolging; het zou ook tot zonderlinge en lastige momenten in het onderwijs aanleiding hebben gegeven; anderen hebben daarom aangeraden, om met het huis of met het schoolvertrek een aanvang te maken, en van daaruit naar hetgeen buiten de school en het huis is, naar straat, dorp, stad, provincie, land enz. over te gaan. Daarbij staat men altijd voor eene kwade keus. Als men werkelijk aanschouwings-onderwijs wil geven en dus de gezichtswaarneming wil oefenen, dan valt de nadruk niet op het zien van vele dingen, maar op het fijn en nauwkeurig zien van enkele dingen. Als echter het aanschouwings-onderwijs tegelijk aanschouwelijk onderwijs wil zijn of daarin"s'poedig wil overgaan, d.w. z. als het dient, niet alleen om formeel het oog te oefenen, maar ook om materieel kennis te vermeerderen, dan komt het, naar het beginsel van hen," die de aanschouwing het uitgangspunt en fundament aller kennis achten, juist op het zien van vele en velerlei dingen aan. Het eerste heeft echter tegen, dat het, vooral voor kinderen, ondragelijk vervelend en eentonig wordt. Telkens met één of met enkele voorwerpen bezig te zijn, deze haarfijn in al hunne deelen en onderdeelen te ontleden, en er telkens de vragen bij te stellen.

*) Raumer, Oesch. d. Padag. III 351.

Sluiten