is toegevoegd aan uw favorieten.

Paedagogische beginselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als het onderwijs zich dus richten moet op het kenvermogen, dan wordt daardoor slechts het centrum in het te onderwijzen subject aangeduid. Maar in dat centrum grijpt het den ganschen mensch met al zijne vermogens en krachten aan. Er is voor ons geen andere ingang tot het binnenste van den mensch dan door zijn bewustzijn heen; maar door de poort van het bewustzijn trachten wij toch door te dringen in de binnenkameren van zijn hart. Indien de onderwijsstof daar niet doordringt~~~Blijft zij altijd boven en buiten het kincf staan, vormt en ontwikkelt zij niet. Dan is het kind aan een vat gefij'k', waarin de leerstof wordt uitgegoten of naar een ander gebruikelijk beeld wordt ingepompt, maar zij gaat niet in zijn wezen in en wordt niet innerlijk en geestelijk geassimileerd.

Om nu dit doel te bereiken en door het onderwijs het kind zelf innerlijk te vormen, moet er van den kant van het kind altijd eenige werkzaamheid bijkomen. Laat de spijze volkomen bereid op tafel komen, wie er door gevoed wil worden, moet in elk geval de moeite zich getroosten, om ze te eten. Zoo kan en mag het kind bij het onderwijs nooit volstrekt passief zijn of als zoodanig worden behandeld. Actief is het kind al, als het zuigt uit de moederborst, en actief ook bij elke gewaarwording, die het opdoet. Zonder activiteit van de zijde van het kind is alle onderwijs vruchteloos. Gelijk dus de concentratie naar de objectieve zijde van den onderwijzer eischt, dat hij zijn stof beheersche en elk deel in het licht van het geheel bezie, zoo eischt de concentratie naar de subjectieve zijde van hem, dat hij het kind altijd bij alle onderwijs actief doe optreden, het tot zelfwerkzaamheid aanspore en dus zijne opmerkzaamheid wekke en levendig houde. Dit is het ware in den eisch, dat het kind bij het onderwijs zelf handele, dat het onderwijs op zijne belangstelling, op zijne „curiosité", op zijn „passion" rusten moet.

Maar daarbij zijn twee dwalingen te mijden. De eene dwaling bestaat daarin, dat men meent, bij ieder kind voor alle vakken dezelfde opmerkzaamheid en belangstelling te moeten wekken. Alzijdige belangstelling heeft niemand en kan niemand hebben. Ieder mensch heeft zijn eigen aanleg en gave, zijn eigen karakter en individualiteit. „Nicht allseitiges, sondern nur vielseitiges Interesse hat der erziehliche Unterricht zu erwecken" i). En de dwaling

Knoke, t. a. p. 141.