Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

eischen echter tweeërlei, waarop de volle nadruk vallen moet. Geen nevenstelling zonder het hier en ginds, geen opeenvolging zonder het nu en straks. Dus: geen coordinatie zonder ruimte, geen successie zonder tijd.

Tijd en ruimte mogen we derhalve de eerste voorwaarden tot ware kennis noemen.

Maar met betrekking tot deze principiën kan men tweeërlei standpunt innemen.

Men kan aldus redeneeren: de mensch neemt allerlei verschijnselen naast elkander en na elkander onmiddellijk met zijn zinnen waar. Naar aanleiding van die waarneming gaat ons verstand nu voort om tijd en ruimte in het algemeen als geheel te denken. Tijd en ruimte in hun algemeenheid als alomvattend gedacht zijn daarom niet anders dan afgetrokken denkbeelden van den mensch: ze volgen pas op de ervaring. Ze zijn dus niet oorspronkelijk aan den menschelijken geest eigen, maar worden pas na de waarneming door het verstand geabstraheerd.

Hier tegenover nu stelt Kant zich op het tweede standpunt. Hij zegt: indien wij een voorwerp waarnemen, dan is dat voorwerp aireede in den tijd en de ruimte onderscheiden. Anders zoude er zelfs geen sprake van waarneming kunnen zijn. Hoe zoudt ge b.v. een huis kunnen zien zonder het in de ruimte te plaatsen; hoe zoudt ge opeenvolgende verschijnselen kunnen gewaar worden zonder successie, dat is zonder tijd? Daarom moeten we concludeeren: tijd en ruimte zijn niet producten der waarneming, aldus, dat het verstand ze als abstracta naar aanleiding der in de ervaring waargenomen verschijnselen vormt; integendeel ze gaan aan alle ervaring vooraf, want zonder hen is de waarneming niet mogelijk. Derhalve: tijd en ruimte zijn voorwaarden der ervaring.

Ja, wat meer is: onze geest kan ze nimmer weg denken. A priori doet hij dan ook allerlei uitspraken aangaande tijd en ruimte (b.v. de tijd trekt steeds even snel voorbij). Ze worden hem dus niet van buitenaf aangebracht, ze moeten hem oorspronkelijk eigen zijn.

Sluiten