Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

Maar daarmede hebben we deze vormen nog niet nader gekarakteriseerd. Om hiertoe te komen, moeten we met betrekking tot ons geestesleven tweeërlei onderscheiden: het aanschouwen der voorwerpelijke wereld en datgene wat we met betrekking tot die wereld denken. — Wanneer een steen een voorwerp treft, zoodat het valt, dan aanschouwen, dan zien wij den vliegenden steen en het vallende voorwerp, maar dat de steen de oorzaak is dat het voorwerp valt, dit denken wij er bij.

Op deze wijze komen we tot de onderscheiding van vormen, waaronder onze geest de voorwerpelijke wereld aanschouwen moet, en vormen, waaronder diezelfde geest de wereld denkt. Tot welke van beide vormen behooren nu tijd en ruimte?

Wij moeten ons hierbij een oogenblik bepalen. De mensch denkt de wereld naar begrippen. Het kenmerk van deze begrippen nu is, dat ze onderling deels overeenkomen, deels verschillen. Het begrip koe b.v. komt met het begrip paard in zooverre overeen, dat beide zoogdieren zijn, ze verschillen in zooverre, dat b.v. de koe een herkauwend dier met gespleten, het paard een niet-herkauwend dier met ongespleten hoeven is.

Hoe staat het nu met tijd en ruimte? Gaat het ook hier als met de begrippen, n.1. dat ze deels overeenkomen, deels verschillen? Neen, zij verschillen slechts. Want tijd is opeenvolging, ruimte is uitbreiding en deze hebben als zoodanig geenerlei overeenkomst. Het karakteristieke van het begrip missen we dus bij genoemde vormen en daarom mogen we ze ook niet begrippen heeten.

Wat zijn ze dan wel? Dit wordt ons onmiddellijk duidelijk, als we bedenken, dat we de verschijnselen in den tijd en in de ruimte slechts kunnen aanwijzen. Het hier en ginds, het nu en straks zijn niet begripsmatig te demonstreeren, ze zijn slechts als met den vinger te beduiden. Dit blijkt bovenal uit het feit, dat door geen betoog kan worden aangetoond, waarom de linkerhandschoen niet over de rechter-

Sluiten