is toegevoegd aan uw favorieten.

Groote denkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

empirische voorstellingen (die wij als de zoogenaamde „stoffelijke wereld, naar tijd en ruimte, waarnemen), dat al deze voorstellingen, al deze verschijnselen zich aan ons voordoen als wordend, als veranderend.

Een en ander komt dus hierop neer, dat (wanneer wij de zoogenaamde „werkelijke" wereld beschouwen) de verschijnselen in deze werkelijke wereld in onderlingen samenhang door ons moeten worden gedacht. De vorm, waaronder wij ons den samenhang dezer veranderende verschijnselen denken moeten (dit hebben wij van Kant geleerd), is de wet van oorzaak en gevolg, de kategorie (denkvorm) der causaliteit.

Volgens Schopenhauer is het verstand de functie van den geest, die hier (bij de ratio fiendi) aan de orde komt.

Het verstand heet bij hem daarom de functie, welke den samenhang der werkelijke verschijnselen in het onmiddellijke leven speurt. Ook de dieren hebben verstand. Het dier, dat naar een andere plaats ver weg gebracht is, vindt den weg naar zijne vroegere woonplaats gemakkelijk terug. Het dier begrijpt dadelijk of iets heilzaam, of verderfelijk voor hem is. En zoo ook: hoe meer interesse voor het onmiddellijke leven, voor de practijk, hoe meer verstand bij den mensch. Een praktisch man is een slim man, die alle relaties van het leven doorziet, hij heeft „spührende", onderzoekende oogen, die de gansche omgeving meten. Tegenover zulk een slimme staat de geniale, die met rustig maar klaar oog niet alle verhoudingen als betast, maar die naar hooger schouwen de eenheid der verschijnselen, de ideeën ziet. Wie geniaal is, is niet slim, wie slim is, is niet geniaal.

We behoeven ons niet te verliezen in de meer ingewikkelde beschouwingen, die Schopenhauer, ook in zake de kennisleer, reeds aan de eerste vertakking van den viervoudigen wortel verbindt. Ze komen alle in hoofdzaak hierop neer, dat de wereld van zichtbare en tastbare verschijnselen, de onmiddellijke werkelijkheid aan verandering, wording onderhevig bliikt.