Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 6

Dus behooren in het ik bijeen: de bewuste reflectie en de onbewuste productie.

Het ik beschouwt zijn lagere trappen van bewustzijn, zich ten slotte verliezende in het onbewuste leven, dat daarachter drijft. Naar deze drijfkracht, deze productie, klimt het zichzelf-bewuste ik dus als het ware omhoog.

Productie en reflectie, aandrift en weerspiegeling, deze beide beheerschen de ontwikkeling des bewustzijns. In deze staat het ik gegrond.

De bewustelooze productie nu is in haar ganschen omvang genomen n i e t - i k (natuur), in onderscheiding van het reflecteerende zelfbewuste i k. De natuur behoort dus bij de ontwikkeling des geestes, zij is zijn prikkel. Zij mag het „wordende ik", de bewustelooze geest, de productie der intelligentie genoemd worden.

De ontwikkelings-geschiedenis van het ik is de ontwikkeling van den geest, die uit de natuur als zijn eigen onbewuste activiteit voortbreekt. De trappen der ontwikkeling liggen deels in het onbewuste rijk der natuur, in het niet-ik, in de objectieve wereld, waarvan het zelfbewuste ik zich onderscheidt, die het tegenover zich stelt.

De geestelijke ontwikkelings-wet beheerscht aldus den groei van het zelf-bewuste i k. Maar niet slechts dezen, ook den groei der menschheid.

En zoo komen wij weer terug op de grond-stelling van FlCHTE, dat niet een „Thatsache" maar een „Thathandlung" uitgangspunt van alle philosofie heeten moet: de „Thathandlung" van het ik.

Het hoogste principe, waartoe wij opklimmen, is volgens hem de levende vrije werkelijkheid van dit ik. Reflecteerende op het ik, maakt men dit ik tot voorstelling, tot object. Het werkelijke, levende subject zelf echter is geen voorstelling maar het leven, het handelen, dat alle voorstellingen (Thatsachen) eerst mogelijk maakt.

De absolute, onvoorwaardelijke „Thathandlung", waartoe wij nadenkende komen, is deze: het zetten van het ik

Sluiten