is toegevoegd aan je favorieten.

Groote denkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 7

door zichzelf. Dit is een feit, bewijs komt hier niet aan de orde. Bewijzen kan men slechts datgene, wat in betrekking tot iets anders staat. Bewijzen houdt verband met het nasporen der relaties van de eene tot de andere voorstelling. Maar dat het ik als handelend zichzelf en de wereld zijner voorstelling (het niet-ik) zet, dat is niet te bewijzen, dat is te aanvaarden.

En zoo komt Fichte tot de zoogenaamde „Grundsatze" van zijn „Wissenschaftslehre" de grond-stellingen, die wis en zeker zijn, waarvan alle weten uitgaat, maar die toch ook weder onbewijsbaar moeten heeten.

Fichte's „Grundsatze" verwijzen naar het onvoorwaardelijke, het onbewijsbare, dat aan de „Thatsachen" des bewustzijns ten grondslag ligt en waaruit het gansche weten wordt opgebouwd.

Wat bewezen moet worden, kan juist daarom nimmer onvoorwaardelijk zeker zijn. Want door het bewijs worden juist de voorwaarden aangegeven, waaraan onze zekerheid met betrekking tot het een of andere object hangt. Maar het fundament van alle ware overtuiging is onbewijsbaar en toch noodzakelijk. Geen „Thatsache" maar een „Thathandlung", de noodzakelijke handeling, die aan het bewustzijn ten grondslag ligt, die dit eerst mogelijk maakt.

Zoo komen we tot den eersten „Grundsatz".

Het onbewijsbare en toch zekere uitgangspunt van alle weten is, dat i k — ik. Het i k zet dus oorspronkelijk slechts zijn eigen zijn. Het ik zet zichzelf. Ik ben.

Dit is de absoluut onvoorwaardelijke „Thathandlung", die alle mogelijke overtuiging draagt: het zetten van het ik door zichzelf. Het wezen van het ik bestaat daarin, zich als zijnde te zetten.

Men hoede er zich voor, te meenen, dat flchte, met dit ik den enkeling zonder meer bedoelen zoude. Hij zelfheeft het uitgesproken, dat dit ondenkbaar is bij een systeem „welks aanvang, einde en gansche wezen juist daarop is ingericht, dat de individualiteit theoretisch vergeten en