Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

wereld) heerscht; in de tweede, dat „das offene Gesetz" (mechanisch, begint met den Romeinschen staat) regeert; ten slotte groeit de overtuiging, dat de Goddelijke Voorzienigheid alles bestuurt (religieus). Wanneer de laatste periode beginnen zal, kunnen wij niet zeggen. „Aber wenn diese Periode sein wird, dann wird auch Gott sein" (604).

Met een enkel woord geresumeerd komt het karakter van de practische philosofie dus daarop neer, dat het ik hier niet meer aanschouwd (dat is Onbewust) maar met bewustzijn produceerend, zijn voorstellingen realiseerend is. Gelijk nu uit de oorspronkelijke daad van het zelfbewustzijn een gansche natuur zich ontwikkelde, zoo wordt uit de tweede daad der vrije zelfbepaling een tweede natuur geboren en deze object der practische philosofie. Als eind-resultaat dezer blijkt dan dat het Absolute de hoogere eenheid (identiteit) vormt van subject (vrijheid) en object (natuur-wetmatigheid). Het vrije handelen der menschheid („Gattung" der redelijke wezens) op grond der genoemde harmonie tusschen het subjectieve en objectieve, in de geschiedenis, de openbaring van het Absolute.

Het derde deel van het „System des transend. Idealismus", n.1. de kunst-philosofie geeft antwoord op het hoogste probleem der transcendentale wijsbegeerte, n.1. hoe kunnen de voorstellingen als zich richtend naar de voorwerpen („Gegenstande", theoretische philosofie) en omgekeerd de voorwerpen als zich richtend naar de voorstellingen (practische philosofie) worden gedacht?

Dit is dan slechts denkbaar, als de geest, door welken de objectieve wereld (de natuur) geproduceerd wordt, in wezen ident blijkt met den geest, die zich in het bewust willen des menschen openbaart, of met andere woorden, indien dezelfde activiteit, die in den menschelijken wil met bewustzijn productief is, in het produceeren van de wereld zonder bewustzijn productief is.

Deze identiteit tusschen het objectieve en het subjectieve, het onbewuste en het bewuste, het noodzakelijke en het

Sluiten