Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

terwijl zij het natuur-product juist op dat oogenblik vastgrijpt „hebt es aus der Zeit heraus, sie lasst es in seinem reinen Sein, in der Ewigkeit seines Lebens erscheinen" (I> 7» 303)- 0°k de beteekenis, die de mythologie (1,5, 390 f. f.) voor schelllng's aesthetica heeft, duiden we slechts saan, terwijl we ons kunst-overzicht sluiten met de belangrijk tellingen, dat „Einbildung" van het oneindige in het eindigee (de reëele zijde van het genie) = poëzie, verhevenheid; en omgekeerd „Einbildung" van het eindige in het oneindige (de ideëele zijde) = kunst, schoonheid (I, 5, 461/2) is.

Gelijk wij reeds opmerkten, wordt de eerste en de tweede periode van SCHELLlNG's natuur- en geestes-philosofie gescheiden door zijn identiteits-theorie (absoluut idealisme).

Ook over deze dus een enkel woord.

Wezens-eenheid van natuur en geest, identiteit van het reëele en ideëele, van zijn en denken, van het objectieve en het subjectieve, had ook reeds Spinoza geleerd. Vandaar dat Schelling zich nu tot dezen aangetrokken voelde en ook zijn mathematische methode bij het wijsgeerig betoog overnam.

In de door ons reeds genoemde „Darstellung meines Systems der Philosophie" vinden we de identiteit of indifferentie van het subjectieve en objectieve als het wezen der rede aangeduid. „Ich nenne Vernunft die absolute Vernunft, oder die Vernunft, insofern sie als totale Indifferenz des Subjektiven und Objektiven gedacht wird" (I, 4, 114).

De rede is het Absolute en alles bestaat door haar. Daarom is alles begrepen in haar wereld-scheppende eenheid.

Het diepste en innigste wezen van alle dingen is één, dit al-eene is rede, kennen, zelf-kennis. Want buiten het al-eene is er niets, waardoor het gekend zou worden. Ook begrijpt het alles in zich en is als zoodanig totaliteit, universum. Uit de zelf-kennis van dit al-eene volgt, dat het zich zet als subject-object. Want het kennen is gegrond in de verhoudingen van subject tot object. De absolute totaliteit moet derhalve wezen: de absolute identiteit, de absolute indifferentie van het subjectieve en het objectieve.

Sluiten