Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45

onderzoek, dat SCHELLING aan dit probleem wijdt, neer op het volgende.

In zijn vroegere geschriften (vrgl. „Religion und Philosophie", 1804) had schelling, gelijk gezegd, de wereldwording als een afval van den Absolute beschouwd. Het zelfstandig worden der ideeën is een door het denken niet af te leiden feit. Het punt nu, waar in de wereld de uiterste Gods-vervreemding, de meeste zelfstandigheid openbaar wordt, n.1. de ikheid, is tevens het begin van den wederkeer in God, indien de ziel haar zelfheid aflegt en weder in God rust. Zoo wordt de geschiedenis, de wederkeer van het eindige tot het Absolute, het tegen-stuk der schepping. Vervreemding en verzoening zijn momenten van het Goddelijk leven. Met deze ideeën (eschenmayer en Boehme) nu verbond schelling de gedachte der intelligibele vrijheid van Kant.

SCHELLING onderscheidt ter verklaring van het booze: God als indifferentie of als Oergrond (Urgrund); God als uitgegaan in de gedeeldheid, de differentie naar Grond en Existentie, het reëele en het ideëele; de Verzoening der gedeeldheid en verheffing van de indifferentie tot i d e ntiteit (liefde). Dus komt het Absolute tot „Entausserung" en keert door deze heen tot hooger eenheid met zichzelf terug.

Grond (natuur) en existentie moeten in God aldus worden gedacht, dat de eerste niet God zelf is.

De dingen nu hebben wederom hun grond van bestaan in datgene, wat niet God zelf is, maar toch ook niet van Hem afgescheiden kan worden, dus in den genoemden grond Zijner Existentie. Deze donkere, onbewuste grond in God is de openbarings-drang. Hem komt geen verstand en wil, slechts begeerte, „Sehnsucht", om zichzelf voort te brengen toe. Terwijl de grond zich aldus verlangend beweegt naar een donkere en onzekere wet, gelijk een golvende oceaan, wordt in God een zelf-spiegeling gewekt, waarin Hij zich in Zijn evenbeeld aanschouwt.

„Dieser Sehnsucht entsprechend, erzeugt sich in Gott

Sluiten