Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de laatste maal die hand te drukken. En wie zal zeggen hoe zwaar het zijn kinderen valt.

Allen bleven in de ziekenkamer, 't Was een oogenblik vol diepe ontroering. De moegestreden dienstknecht, hijgende en wachtend naar het oogenblik, waarop de Meester hem roepen zou te komen. Boven zijn hoofdeinde hangt een schilderij, Christus aan het kruis, waarheen hij de zijnen in de laatste weken, ook zelfs als hij niet meer spreken kon, herhaalde malen heeft gewezen.

't Was alsof de schaduw van 't kruis over het aangezicht van den stervende viel.

Met betraande oogen zagen wij allen op hem; niemand die eenige oogenblikken de ontroerende stilte verbrak; de zieke hijgde zwaar en lag overigens rustig met gesloten oogen te wachten. Zijn hoofd zonk een weinig op de borst; zijn handen bewogen zich.

Een zijner dochters boog zich over hem heen en vroeg: „Vader, zullen we bidden?"

Hij sloeg de oogen op en knikte bevestigend.

Wat nu volgde kan ik moeilijk onder woorden brengen.

Het ziekbed was omringd door allen, die er bij tegenwoordig konden zijn en we waren allen diep ontroerd, toen de heer Idenburg zoo kinderlijk eenvoudig bad of God zijn moegestreden kind een ruimen ingang in zijn Koninkrijk wilde geven en hem 't sterven licht maken.

Nimmer zal ik dat uur van heilige ontroering vergeten. Met gebogen hoofd bleven we allen om de sponde staan voor een paar oogenblikken en verlieten toen diep onder den indruk van dit afscheid de ziekenkamer.

Later op den avond kwam de dokter. Hij oordeelde den toestand zeer critiek, maar, toch iets beter dan 's morgens. De zieke was volkomen helder en bij bewustzijn; de pols was iets beter; maar we moesten er ons op voorbereiden, dat het op zijn hoogst nog een paar dagen duren kon.

Maandag was de achteruitgang weer merkbaarder. De trekken van het eens zoo forsche gelaat vielen eenigermate in; het eens zoo sprekende oog stond dof en de oogopslag kostte hem blijkbaar moeite.

Maandagmiddag gaf hij de begeerte te kennen nog eens den heer Idenburg te zien, die dadelijk aan het verzoek gehoor gaf.

Zooals reeds een vorig maal door mij werd medegedeeld, was de zieke, wat zijn zielstoestand betreft, rustig en kalm. Hij wachtte, en wachtte geduldig.

Voor ieder bewijs van hartelijkheid was hij uitermate dankbaar en zijn zielsoog bleef vol vertrouwen gericht op die toekomst van enkel heerlijkheid en vrede, die God voor zijn kinderen heeft weggelegd.

Ons belijdend volk leefde mee aan deze sponde en ik mocht dan ook deze dingen niet voor mij houden. Ze behooren U allen toe; en gij allen zult met groote dankbaarheid vernemen, dat

Hier eindig ik; daar komt een telegram en als ik 't openbreek, lees ik: God heeft onzen lieven Vader tot zich genomen.

2

Sluiten