is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek ter herinnering aan het overlijden van Dr. A. Kuyper en de sprake die daarbij uit de pers voortkwam

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koloniën, de oude Keuchenius, moest het ontgelden. Fel was soms Kuyper's critiek, omdat de ministers geen stroomarmen wilden zijn, die van hun vechtgeneraal de instructies kwamen vragen. En mede onder die critiek moest, na 3 jaren, het kabinet-Mackay plaats maken voor dat van Tak van Poortvliet. Te dien dage stond het politieke leven in het teeken van den kieswetstrijd. Het ging om de voorwaarden tot verkrijging van het kiesrecht. Dr. Kuyper, die van huis uit het huismanskiesrecht zeer krachtig verdedigde, wilde een zeer uitgebreid kiesrecht, en schaarde zich aan de zijde van Tak van Poortvliet. Enkele vooraanstaande antirevolutionnairen, onder aanvoering van Jhr. de Savornin Lohman, konden hierin niet medewerken, deels omdat zij uitbreiding van kiesrecht wilden doen steunen op rijpheid van 't volk voor 't politieke leven, deels omdat zij grondwettige bezwaren hadden tegen het aanhangige wetsontwerp.

Kuyper was intusschen in 1894 weer in de Kamer teruggekeerd, en in het middelpunt van de oppositie, zijn kracht.

In 1901 volgde zijn ministerschap, dat hij, naar hij zegt, niet heeft gezocht.

Een periode, fel van strijd, omdat Kuyper, tegenover de vaak hoonende spot van zijn tegenstanders, vooral van de socialisten, in magistrale redevoeringen krachtig getuigenis aflegde van zijn geloof. Nooit was er in de Kamer zoo getheologiseerd als toen. Nooit was ook iemand zoo gehaat door den een en bewonderd door den ander. Zeer vele van zijn idealen heeft Dr. Kuyper als minister niet verwezenlijkt gezien. En de uitkomst van de verkiezingen van 1905 bracht een groote ontgoocheling; het kabinet was genoodzaakt af te treden, terwijl het zich had gereedgemaakt voor een tweede periode van vruchtbaren, wetgevenden arbeid.

En nu was de zon van Dr. Kuyper haar zenith voorbij.

Wel betrad hij de Kamer weer, nadat hij in 1908 voor Ommen was gekozen, maar tegen zijn wil, en tot zijn grooten toorn, kwam toen het kabinet-Heemskerk aan 't bewind, een kabinet, dat hij vaak fel bestookte. Langzamerhand kwam er onder de jongeren in zijn partij verzet tegen de oppermachtige leiding van Dr. Kuyper, die alles aan hem ondergeschikt wilde doen zijn. en bovendien werd het krachtige lichaam gesloopt.

Toenemende doofheid bracht hem er toe, in 1912 de Tweede Kamer te verlaten. In 1913 werd hij gekozen tot lid der Eerste Kamer, en wist hier menigmaal, hoewel hij de vergaderingen niet getrouw meer bezocht, te boeien door zijn nog krachtig, welsprekend woord.

Maar de aftakeling was gekomen. Het een na 't ander moest hij opgeven.

't Leiderschap der partij, de redaktie van „De Standaard", het lidmaatschap van de Eerste Kamer, alles moest hij loslaten. Want — de bode des doods naderde, om ook dezen geweldige mede te nemen.

En thans — dood!

Voor altijd gesloten die oogen, voor altijd stil die mond.