is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek ter herinnering aan het overlijden van Dr. A. Kuyper en de sprake die daarbij uit de pers voortkwam

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet te verwonderen, dat zij de groote meerderheid omvatte, vooral onder de scherper geteekende Calvinisten. Het waren meest de „kleine luyden", die daarbij behoorden. Men doet hun grof onrecht als men meent, dat zij „kulturfeindlich" waren, wat hun van andere zijde steeds weer werd verweten; dat is later wel anders gebleken. Maar wel waren zij, uit den aard der zaak door den kring, waarin zij leefden, voor vele problemen gematigd onverschillig en voorts konden zij uit eigen macht en zonder voor hen te vatten voorlichting niet onderscheiden tusschen de cultuur zelf en den anti-Christelijken geest, die haar practisch bezielde. Kwamen zij er mee in aanraking, dan voelde hun fijne religieuse intuïtie het eerst den boozen humanistischen trek, die er den grondtoon van vormde en dan ging natuurlijk vóór wat hun, volkomen terecht, het hoogste lag. Daardoor dreigde een opsluiten in eigen kring, dat niet op de lijn der Kerk van alle eeuwen verder voerde, maar dat dreef naar het sectarisme met zijn muffe atmosfeer van geestelijken hoogmoed, eigengerechtigheid en valsche mystiek; alleen het kerngezond persoonlijk religieus leven heeft verhoed, dat men op de klippen is verzeild, en dat het niet verder is gekomen dan tot een doezeligen geestelijken dommel, waaruit het wakker schudden later toch al moeilijk genoeg bleek. Dat was de ééne strooming.

Toen kwam Kuyper. Geboren wijsgeer en theoloog, was hij gedrenkt in het beste, wat de humanistische cultuur te bieden had. Hij bezat voor haar een onbegrensde affiniteit, voor alles en voor elk onderdeel voelde hij belangstelling. Een man van de wereld in den goeden zin van het woord van top tot teen. Geniaal zelfs in zulke onderdeelen der wetenschap, die hij niet beheerschte, dramatisch kunstenaar en taal-artist, een gloeiend bewonderaar zoowel van technische als aestherische beheersching der materie. Zich in cultureele kringen gaarne bewegend en thuis gevoelend, begreep hij, dat naast het gevaar van verwereldlijking van het Christendom, het smakeloos worden van het zout, nog een tweede gevaar dreigde, in zijn tijd wèl zoo actueel, dat van sectarische versuffing. Daarom moesten er twee dingen gebeuren. Het Calvinistisch volksdeel moest wakker gemaakt en cultureel opgevoed, en tegelijk moest een Christelijke cultuur op eigen, objectieve basis worden opgericht. Ongeloofelijk is de tact en het geduld, waarmee hij allerlei achterlijk vooroordeel otider de eenvoudigen wist op te ruimen. Eerst voorzichtig hun vertrouwen winnen, door hun zijn eigen hart te ontsluiten, waarin zulk een oneindige liefde voor hen woonde, omdat hij door de ontmoeting met vromen uit hun kring het vooze en holle had leeren voelen van cultuur zonder Christendom. En dan zonder iets te breken aan hun kostelijk godsdienstig leven hun de oogen openen voor de eischen van het moderne leven, hun te leeren inzien, dat van Godswege ook hun de vruchten der cultuur toekwamen, dat ze voor hen onmisbaar was en dat zij er ook een goddellijke roeping voor hadden — dat is het meesterwerk geweest, waaraan hij tientallen jaren onverdroten