Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts staan, zijn aangezicht gewend naar het verleden. Met dit levensbeginsel van het historisch Calvinisme had hij nu den blik gewend naar de toekomst. Als man van zijn tijd zag hij het moderne leven door die geestestoorts verlicht. Zijn Calvinisme staat niet buiten den tijd, maar midden in het leven. Hij zocht steeds de aanpassing van het wezenlijk Christelijke aan de behoeften des tijds, opdat zij geestelijk en zedelijk zouden worden vervuld. Wie kan het laken, dat hij daarbij wel eens misgetast heeft? Maar in werkelijkheid was zijn streven steeds eene worsteling om aanpassing van de grondideëen van het Calvinisme aan het moderne leven. Vandaar zijne doorgaande waardeering van al het grootsche en schoone der moderne cultuur, maar ook zijne blijvende erkentenis, dat zij zonder de zedelijke levenskracht van het Kruis des Verrezenen den vrede niet brengen kan. Er was iets in hem, dat mij deed denken aan Tertullianus, die der wijsbegeerte gram was en toch zelve man van groote wijsgeerige kracht.

Kuyper was leerling van Scholten. En was niet Scholten met Hegelschen deesem doorzuurd? In Kuyper was iets, dat aan Hegel herinnerde. Hij zelve wilde van die verwantschap niet weten. Met onwil wees hij het van zich, als ik er van repte. En toch loopt er door zijn geestesstructuur een Hegelsche ader. Methodisch vooral valt dit op.

Hij is schepper van machtige composities, opende diepe perspectieven, stelde alle probleem in eigen licht. In theorie stelde hij exact onderzoek hoog, maar practisch werd menige oplossing geboren uit den schoot eener wonderfijne intuïtie. Aan oude vraagstukken verleende hij zoo een nieuwen glimp, aan het oude dogma een nieuwen glans. Hij zag de dingen niet meer in eng theologische grenzen^ maar verlicht door den horizon zijner alomvattende wereldbeschouwing.

Daarin is ongetwijfeld eene wondere bekoring, maar er zijn ook gevaren aan verbonden, waaraan zelfs Kuyper niet altijd is ontkomen. Niet alles is geworden zooals hij het in den opzet had gegrepen en geconstrueerd. Teleurstelling is ook hem niet bespaard en hij heeft illusies gekoesterd, die in désillusie verkeerd zijn en hem smarten des levens hebben gebaard, die des te dieper vlijmden, omdat zij van zijne dierbaarste geestesgewrochten over hem werden gebracht.

Was Kuyper een kenner der menschen? Er zijn er, die hem deze gave ontzegden, als hij te gul was geweest met zijn vertrouwen. Ik zou zeggen: „ja en neen". Hij leefde in zijn eigen wereld en zag de menschen in haar licht. Hij leefde als in eene visie, verlicht door zijn blijvend contact met de wereld der Heilige Schrift. Als hij daarin de menschen zag, dan kende hij ze en kon hij ze teekenen naar het leven. Zoo verstond hij, als niemand anders, wat er leefde in het gemoed der massa, der Gereformeerden bovenal. „Al schrijvend", hoorde ik hem eens zeggen: „zie ik ze voor mij". Het was hem als sprak hij steeds voor die duizenden stoere Calvinistische typen, op wier aangezicht de vlam der energie haar licht liet spelen op zijn

Sluiten