Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen ben ik tot '74 predikant geweest in Amsterdam. Toen heb ik mijn ontslag gevraagd, omdat ik Kamerlid was geworden in Gouda. In Februari van '76 ben ik ziek geworden, hard ziek; ik was radicaal op, ik kon geen briefkaart meer schrijven. Toen heb ik 'n jaar door de Riviera gezworven. Die ziekte heeft nog zeven jaar nagewerkt. De doctor zei: „In zeven jaar krijg je 'n nieuw zenuwweefsel; dan ben je er af". En zoo is het ook gegaan.

Toen ben ik Kamerlid gebleven, en hoogleeraar aan de Vrije. Toen ben ik naar het Torentje gegaan, als minister, en in 1905 op reis.

En dat is nou alles "

* *

*

Hij wist wel beter, dat dit niet „alles" was. Beter dan iemand anders.

Was dit niet een der redenen waarom velen hem niet genegen konden zijn al hadden zij gewild: dat Kuyper zelf zich van zijne beteekenis, ook van de beteekenis der feitelijkheden van zijn leven volkomen bewust was, samengegroeid als hij die wist met al wat de halve eeuw van zijn optreden als public man hoofd en hart des volks beroerde! En is ditzelfde niet tevens geweest de kern van de vereering, de toewijding, de innige liefde die duizenden en duizenden hem toedroegen en toedragen? Een innige genegenheid en adoratie waar diezelfden soms geen weg mee wisten als het beeld, dat zij in hun harten van hem hadden opgericht, op zijn voetstuk waggelde: maar die toch weer uitbrak in jubel, en dank, en tranen, telkens als hij in hun midden kwam, de leider tot zijn volgelingen, de meester tot zijn discipelen, de herder tot zijn kudde.

Wie dat ééns beleefde: zulk een ontmoeting tusschen dezen man en wie zich geestelijk de zijnen voelden, kon zich niet onttrekken aan den indruk der diepe waarachtigheid, de echtheid dezer wederzijdsche bewogenheid des harten. In de jaarlijksche Deputatenvergaderingen der antirevolutionaire partij, — Groen's schepping, maar welker „dorre beenderen" (om een van Kuyper's geliefkoosde bijbeltermen te gebruiken) hij tot herleving wekte —; of bij een dier merkwaardige feesten: het zilveren jubileum van De Standaard, dat kleine maar in zijn hand geduchte wapen, zijn 70- en 80-jarigen geboortedag, waarop al de bestrijding, die zijn geestverwanten miskenning en verguizing moesten achten, door hen getransponeerd werd tot inniger dankbaarheid en hechter trouw. Was dan zijn gestalte altoos zooals wij, die ons herinneren van den Bilderdijk-avond in het Amsterdamsche Concertgebouw: van den vorst die de hulde genadiglijk aanvaardt, den Imperator die met een minzamen lach zijn zegekar stuurt over de bloemen, die een slaafsche massa op de wegen zijner glorie werpt? Zoodat de herdenking van een gestorven dichter verwerd tot 'n bewierooking van den redenaar?

Neen, niet zóó alleen apprecieerde deze, als weinigen gevierde, deze trouw en deze liefde.

„Zal er", zoo had zich onze A-correspondent afgevraagd aan den

Sluiten