is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 Indien nu God het gras des 3 velds, dat heden is, en morgen in h den oven geworpen wordt, alzoo t; bekleedt, zal Hij u niet veel meer d kleeden, gij kleingeloovigen ? d

k

31 Daarom zijt niet bezorgd, 3 zeggende: Wat zullen wij eten? of z wat zullen wij drinken? of waar- v mede zullen wij ons kleeden? z

32 Want al deze dingen zoeken 3 de heidenen; want uw hemelsche d Vader weet, dat gij al deze t dingen behoeft. ï

33 Maar zoekt eerst het Konink- 3 rijk Gods en Zijne gerechtigheid, r en al deze dingen zullen u toe- z geworpen worden. v

1 Kon. 3 : 13. Ps. 37 : 25. 55 : 2?.

34 Zijt dan niet bezorgd tegen 5 den morgen; want de morgen zal \ voor het zijne zorgen; elke dag c heeft genoeg aan zijn zelfs 2 kwaad. 1

Oordeelen en bidden.

7 1 Oordeelt niet, opdat gij niet 1

geoordeeld wordt. < Luk. 6 : 37. Rom. 2 : 1. 1 Kor. 4 : 3, 5.

2 Want met welk oordeel gij oor- ' deelt, zult gij geoordeeld worden; ( en met welke mate gij meet, zal 1 u wedergemeten worden. 1

Mark. 4 : 24. Luk. 6 : 33.

3 En wat ziet gij den splinter, die I in het oog uw,s broeders is, maar ■ den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?

Luk. 6.: 41, 42.

4 Of, hoe zult gij tot uwen broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?

5 Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

Spr. 18 : 17.

6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eeniger tijd dezelve met hunne voeten vertreden, en zich omkeerende, u verscheuren.

Spr. 9:8. 23 : 9.

7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

Matt. 21 : 22. Mark. 11 : 24. Luk. 11 : 9. Joh. 14 : 13. 16 : 24. Jacob. 1 : 5, 6.

1 Joh. 3 : 22. 5 : 14.

8 Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

Spr. 8 : 17. Jer. 29 : 12

9 Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem eenen steen zal geven ?

10 En zoo hij hem om een visch zou bidden, die hem eene slang zal geven?

11 Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!

Gen. 6:5. 8 : 21.

0 Indien dan God het gras op et veld alzoo kleedt, dat nochans heden staat en morgen in en oven geworpen wordt, zou hij lat niet veel meer u doen, gij :leingeloovigen ?

1 Daarom weest niet bezorgd, leggende: Wat zullen wij eten, ■/at zullen wij drinken, waarmede lullen wij ons kleeden?

12 Want naar dit alles trachten Ie heidenen; uw hemelsche Vader och weet, dat gij dit alles beïoeft.

!3 Maar tracht eerst naar het •ijk Gods en zijne gerechtigheid, :oo zal u dit alles toegevoegd vorden.

S4 Daarom weest niet bezorgd /oor den volgenden morgen; want le dag van morgen zal voor het sijne zorgen; elke dag heeft geloeg aan zijn eigen plaag.

Luc. 12 : 22—31.

Over oordeelen en bidden.

1 Oordeelt niet, opdat gij niet geaordeeld wordt.

2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden.

Mare. 4 : 24.

3 En wat ziet gij den splinter in uws broeders oog, en wordt den balk niet gewaar, die in uw eigen oog is?

Luc. 6 : 41.

4 Of hoe durft gij zeggen tot uwen broeder: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog trekke; en zie, er is een balk in uw oog.

5 Gij huichelaar, trek eerst den balk uit uw oog, en zie dan, hoe gij den splinter uit uws broeders oog zult trekken.

6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen, opdat zij die niet vertreden met hunne voeten, en zich omkeeren en u verscheuren.

7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt aan, en u zal opengedaan worden.

8 Want wie bidt, die ontvangt; en wie zoekt, die vindt; en wie aanklopt, dien zal opengedaan worden.

9 Of welk mensch is er onder u, die, als zijn zoon hem bidt om brood, hem een steen zou geven,

10 of als hij hem bidt om een visch, hem een slang zou geven?

11 Indien dan gij, die boos zijt, nochtans aan uwe kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal uw Vader in den hemel goede [gaven] geven dengenen, die Hem daarom bidden!

30 Indien dan God het gras des i/elds, dat er heden nog is en morgen in den oven geworpen wordt, zoo kleedt, zal Hij het u niet veeleer doen, kleingeloovigen ?

31 Zegt dan niet in uw bezorgdheid: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? of: Waarmee zullen wij ons kleeden?

32 Want naar dat alles zoeken de heidenen. Uw hemelsche Vader weet wel dat gij dat alles noodig hebt.

33 Zoekt eerst zijn Koninkrijk en de gerechtigheid die Hem behaagt, en dat alles zal als een toegift u geschonken worden.

34 Weest dan niet bezorgd voor morgen; morgen mag voor zichzelf zorgen! Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen plagen.

Oordeelt niet.

1 Oordeelt niet; opdat ge niet geoordeeld wordt.

2 Want naar het oordeel dat gij velt zult gij geoordeeld worden; met de maat waarmee gij meet zal u toegemeten worden.

3 Wat ziet gij den splinter in het oog van uw broeder en bemerkt den balk in uw eigen oog niet!

4 Of hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Sta mij toe den splinter uit uw oog te halen — terwijl in uw oog een balk is?

5 Huichelaar, verwijder eerst uit uw oog den balk; dan zult gij scherp genoeg zien om den splinter uit uws broeders oog te halen.

Geen paarlen voor de zwijnen.

6 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen; zij mochten ze eens met hun pooten vertrappen, zich omkeeren en u verscheuren.

Gebedsverhooring.

7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

8 Want ieder die bidt ontvangt, wie zoekt vindt, hem die aanklopt wordt opengedaan.

9 Of welk mensch is er onder u wien zijn zoon brood vraagt, die hem een steen zou geven?

10 Of die, als hij hem een visch vraagt, een slang zou geven?

11 Indien dan gij, zondige menschen, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw hemelsche Vader het goede geven aan hen die er Hem om vragen.