is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nieuwe Testament in zes Nederlandse vertalingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Drie andere gelijkenissen voor het volk.

24 Een andere gelijkenis stelde hij hun voor en zeide: Het koninkrijk der hemelen is te vergelijken bij iemand die goed zaad gezaaid had in zijn akker;

25 maar terwijl de menschen sliepen, was zijn vijand gekomen en had onkruid gezaaid midden tusschen de tarwe, en was heengegaan.

26 Toen nu het gewas ontsproot en vrucht zette, openbaarde zich ook het onkruid.

29 Maar hij zeide: neen, opdat gij niet soms bij het verzamelen van het onkruid tegelijk daarmede de tarwe uitrukt;

30 laat het gezamenlijk opwassen tot .den oogst, en in den oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: verzamelt eerst het onkruid en bindt het in busselen, om het te verbranden; maar brengt al de tarwe in mijn schuur.

31 Een andere gelijkenis stelde hij hun voor en zeide: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide.

32 Dat is wel het kleinste van alle zaden; maar wanneer het is opgewassen, is het grooter dan de moeskruiden, en wordt een boom, zoodat de vogelen des hemels kunnen komen en in zijn takken nestelen.

33 Een andere gelijkenis sprak hij tot hen: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdeesem, welken een vrouw nam en mengde in drie maten meel, totdat dit geheel gezuurd was.

34 Al deze dingen sprak Jezus in gelijkenissen tot de scharen; en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niets,

35 opdat in vervulling zoude gaan hetgeen gesproken is door den profeet: Ik zal mijn mond openen met gelijkenissen, ik zal uitspreken hetgeen verborgen was van de grondlegging der wereld. Toen verliet hij de scharen en ging naar huis.

Verder onderwijs aan de discipelen.

36 En zijne discipelen kwamen tot hem en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op den akker.

3

Het onkruid, mosterdzaadje en zuurdeeg.

24 Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en Hij sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een man, die goed zaad op zijn akker zaaide.

25 Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid onder de tarwe, en ging heen.

26 Toen nu het graan was opgeschoten en vrucht had gezet, vertoonde zich ook het onkruid.

29 Maar hij antwoordde: Neen; want bij het uitwieden van het onkruid, zoudt gij ook de tarwe kunnen uittrekken.'

30 Laat beide opgroeien tot de oogst; in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bussels, om het te verbranden, maar brengt de tarwe in mijn schuur.

31 Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide.

32 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het is opgewassen, is het groter dan het tuingewas, en wordt het een boom, zodat de vogels in de lucht in zijn takken komen nestelen.

33 Nog een andere gelijkenis sprak Hij tot hen: Het rijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw onder drie maten meel mengde, totdat het meel geheel was gegist.

34 Dit alles zeide Jesus tot de menigte in gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij hun niet toe;

35 opdat vervuld zou worden, wat door den profeet was voorzegd: „Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, en openbaren, wat verborgen was van de grondvesting der wereld af."

Mark. 4 : 30—32. Luk. 13 : 18—21.

Ps. 78 (77) : 2.

36 Toen Hij de menigte had laten gaan, keerde Hij naar huis terug. Nu kwamen zijn leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.

Andere gelijkenissen.

24 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker.

25 Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen., midden tussen het koren, en ging weg.

26 Toen het graan ontkiemde en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn.

27 Daarna kwamen de slaven van den eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid?

28 Hij zeide tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen,?

29 Hij zeide: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken.

30 Laat beide samen opgroeien tot den oogst. En in den oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.

31 Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide.

32 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.

Mare. 4 : 30—32. Luc. 13 : 18—19.

33 Nog een gelijkenis sprak Hij tot hen: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was.

Luc. 13 : 20, '21.

34 Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen,

>35 opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door den profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond open doen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen bleef.

Mare. 4 : 33, 34. Ps. 78 : 2.

Onderwijs der discipelen.

36 Toen liet Hij de scharen gaan en ging naar huis. En zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Maak ons de gelijkenis van het onkruid in den akker duidelijk.

27 Toen gingen de dienaren van den heer tot hem en zeiden: heer, hebt gij geen goed zaad gezaaid in uw akker? vanwaar heeft hij dan het onkruid ?

28 Hij zeide tot hen: een vijand heeft dit gedaan. Zij zeiden tot hem: wilt gij dan, dat wij heengaan en het verzamelen?

27 Nu kwamen de dienaars van den heer des huizes, en zeiden: Heer, hebt ge geen goed zaad op uw akker gezaaid; waar komt dan het onkruid vandaan ?

28 Hij zei hun: Een vijandig mens heeft dit gedaan. De dienaars zeiden tot hem: Wilt ge dus, dat we het gaan uitwieden?